Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7364

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
18-06-2007
Zaaknummer
05-5301 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5301 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 juli 2005, 04/641 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. B.N. van Driel, werkzaam bij Klaverblad Rechtsbijstand Stichting te Zoetermeer, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2007.

Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A.E.G. Schoonderbeek.

Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. E.L. Beuving, werkzaam bij voormelde stichting.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene, laatstelijk werkzaam als accountmanager, is op 17 september 2002 in verband met hoofdpijn- en nekklachten als gevolg van een auto-ongeval op 21 november 2001, waarbij hij whiplashletsel opliep, arbeidsongeschikt geworden. Betrokkene was toen tevens bekend met de ziekte van Crohn. In augustus 2003 is betrokkene gezien door een verzekeringsarts, die na onderzoek en mede op grond van informatie van de behandelend sector vaststelde dat betrokkene in verband met concentratie- en geheugenstoornissen was aangewezen op een werksituatie waarin geen sprake was van deadlines, productiepieken en een hoog handelingstempo. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een (Kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd waarin betrokkene een zodanig inkomen kon verdienen dat hij voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt moest worden geacht.

Bij besluit van 26 september 2003 is aan betrokkene in aansluiting op de wachttijd van 52 weken met ingang van 16 september 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

In de bezwaarfase is betrokkene gezien door bezwaarverzekeringsarts E. Khoe, die mede op grond van informatie van de behandelend psycholoog heeft gesteld dat beperkingen dienden te worden aangenomen ten aanzien van de volgehouden aandacht, concentratie en het korte termijn geheugen. De bezwaarverzekeringsarts heeft daartoe de (Kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst aangepast. Uit nader arbeidskundig onderzoek bleek vervolgens dat een aantal geselecteerde functies niet voor betrokkene geschikt was en dat betrokkene gelet op de resterende, onder vier Sbc-codes vallende, functies diende te worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%.

Bij besluit van 26 maart 2004 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 26 september 2003 gegrond verklaard in die zin dat aan betrokkene met ingang van

16 september 2003 een WAO-uitkering werd toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit - met beslissingen over griffierecht en proceskosten - vernietigd. De rechtbank heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan het ten behoeve van de gedingvoering in eerste aanleg door de neuroloog R.S.H.M. Beijersbergen als deskundige op

21 december 2004 uitgebrachte rapport. Volgens deze deskundige had betrokkene op de datum in geding een chronisch laat postwhiplashsyndroom van lichte tot matige aard met ook lichte neuropsychologische problematiek. De belangrijkste beperkingen op somatisch en psychisch gebied lagen op het terrein van werken onder interne of externe tijdsdruk, verkeren in een lawaaierige, stimulusrijke omgeving en het verrichten van nek- en schouderbelastende arbeid. De deskundige achtte betrokkene vanwege deze beperkingen ongeschikt voor de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies.

De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de deskundige na commentaar van de betrokken bezwaarverzekeringsarts in nadere rapportages van 3 maart 2005 en

17 mei 2005 zijn standpunt gemotiveerd heeft gehandhaafd.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Met name doet zich niet de situatie voor dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een bezwaarverzekeringsarts blijkt dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen.

De deskundige heeft in zijn rapport en nadere reacties uitvoerig gemotiveerd op grond van welke overwegingen hij tot zijn conclusie is gekomen. Dat bij neurologisch onderzoek geen afwijkingen zijn gevonden heeft ook de betrokken bezwaarverzekeringsarts er niet van weerhouden om ten aanzien van betrokkene beperkingen aan te nemen op diverse aspecten van het persoonlijk functioneren. Dat de deskundige op basis van hetzelfde ziektebeeld als door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen op grond van zijn onderzoeksbevindingen en mede gelet op informatie van de behandelend sector de daaruit voortvloeiende beperkingen ernstiger inschat dan de bezwaarverzekeringsarts, impliceert naar het oordeel van de Raad niet dat hier geen objectief medische motivering aan ten grondslag is gelegd.

De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd dan ook geen grond om de conclusie van voornoemde deskundige niet te volgen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen. Omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden, zal het Uwv bij het nemen van dat besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.

MR