Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7358

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
18-06-2007
Zaaknummer
05-2241 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Inkomsten uit arbeid. Terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2241 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 maart 2005, 04/1120 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak:12 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 21 april 2005 heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, zich als gemachtigde van betrokkene gesteld. Mr. Fischer zag blijkens zijn brief van 5 juli 2005 af van het indienen van een verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2007. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. E.J.S. van Daatselaar. Betrokkene is, zoals tevoren was bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant "verweerder" en betrokkene "eiser" wordt genoemd, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

" Eiser ontving een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80-100%. In het rapport werknemers fraude van 29 oktober 2002 wordt vermeld dat eiser in de periode van 21 september 1992 tot en met 13 september 2002 werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten naast zijn WAO-uitkering die hij van verweerder ontving. Eiser heeft verklaard de werkzaamheden "zwart" te hebben verricht. Eiser heeft volgens het rapport werknemersfraude van 29 oktober 2002 verklaart dat hij op maximaal 4 of 5 dagen in de week werkte, maximaal 5 of 6 uur per dag werkte en per uur € 10,- ontving. Eiser heeft verklaard in de jaren 2000 tot en met 2002 f. 1400,- per maand te hebben verdiend en in de jaren 1997 tot en met 1999 f. 1000,- per maand. Diverse getuigen hebben voorts in dit rapport verklaard dat eiser schilderwerkzaamheden bij hen heeft verricht. Eiser heeft voorts verklaard de werkzaamheden niet aan verweerder te hebben gemeld, omdat hij bang was dat dit van invloed zou zijn op zijn WAO-uitkering. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder onder meer bij besluit van 28 maart 2003, nummer 1, vanaf 1 september 1995 de WAO-uitkering van eiser herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%. Bij besluit van 28 maart 2003, nummer 2 is verweerder vanaf 1 augustus 1996 tot terugvordering van het teveel betaalde aan WAO-uitkering overgegaan. Bij besluit van 25 maart 2003 is eisers WAO-uitkering onverminderd voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%."

Tegen de hiervoor genoemde besluiten heeft betrokkene bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 mei 2004, verder: het bestreden besluit, heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het bestreden besluit niet in stand gelaten.

Daartoe heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak onder meer het volgende overwogen:

"De herziening van eisers uitkering per 1 september 1995 berust, zo heeft verweerders gemachtigde ter zitting bevestigd, op de feitelijke verdiensten van eiser. Voor

1 september 1995 heeft verweerder, zo is in het besluit van 28 maart 2003, nummer 1, eveneens bepaald, de WAO-uitkering van eiser op grond van deze verdiensten met toepassing van artikel 44, tweede lid, van de WAO voor de duur van drie jaar uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65 %. Op grond van artikel 44, tweede lid, laatste zin, van de WAO wordt na deze periode van drie jaar de arbeid waar die inkomsten uit zijn verkregen, aangemerkt als inkomen uit gangbare arbeid. In lijn met de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot het tot 1993 geldende arbeidsongeschiktheidscriterium is de rechtbank van oordeel dat inkomsten verkregen uit "zwart" werk niet als inkomsten uit algemeen geaccepteerde arbeid kunnen worden aangemerkt. Uit deze jurisprudentie blijkt dat "zwart" werk wel een indicatie kan geven voor de verdiencapaciteit van een verzekerde en een grond kan vormen om met terugwerkende kracht tot verlaging van de mate van arbeidsongeschiktheid over te gaan, maar dan wel op basis van verdienmogelijkheden in algemeen geaccepteerde arbeid."

Appellant is het niet eens met het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank en heeft in hoger beroep daartoe het volgende aangevoerd:

"De rechtbank meent dat, nu volgens vaste jurisprudentie van uw Raad inkomsten uit "zwart" werk niet als inkomsten uit algemeen geaccepteerde arbeid kunnen worden aangemerkt, er geen grond is om toepassing te geven aan artikel 44 lid 2 laatste zin, waarin zakelijk weergegeven wordt aangegeven dat de gedurende 3 jaar verrichte arbeid na afloop van die periode wordt aangemerkt als algemeen geaccepteerde arbeid zoals bedoeld in artikel 18 lid 5 WAO (respectievelijk artikel 5 1id 5 AAW).

Wij kunnen de rechtbank hierin niet volgen. Ons inziens is de omstandigheid dat de inkomsten zijn verkregen uit "zwart"werk niet relevant na ommekomst van de drie jaar zoals genoemd in artikel 44 lid 2 WAO (en artikel 33 lid 2 AAW).

Wij voelen ons gesteund in die opvatting door de uitspraak van uw Raad van

8 augustus 2003, 01/3380 AAW/WAO + 02/646 AAW/WAO, gepubliceerd op

www. rechtspraak.nl onder LJN: AO5312 (afschrift bijgaand).

Gelet op hetgeen in betreffende uitspraak wordt overwogen, is er in artikel 44 lid 2 WAO sprake van een fictie op grond waarvan nadat drie jaar werkzaamheden zijn verricht de betreffende arbeid als algemeen geaccepteerde arbeid moet worden aangemerkt. Dit betekent niet dat "zwart" werk algemeen geaccepteerde arbeid is maar daarmee voor de toepassing van artikel 18 WAO (en ons inziens derhalve ook voor de toepassing van artikel 5 AAW) gelijk gesteld wordt.

De omstandigheid dat er sprake is van inkomsten uit onwettige activiteiten doet hier volgens uw Raad in betreffende uitspraak niets aan af."

De Raad kan dit betoog van appellant volledig onderschrijven en acht op grond daarvan de hiervoor weergegeven overwegingen van de aangevallen uitspraak onjuist.

Daarmee is echter niet gezegd dat appellant bij het bestreden besluit terecht het bezwaar van betrokkene tegen de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAO naar een mate arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% met ingang van

1 september 1995 en de daarmee samenhangende terugvordering ongegrond heeft verklaard.

De arbeidsdeskundige P. Peek is in zijn rapport van 9 januari 2003 bij de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit van betrokkene uitgegaan van het "resumé fraude" van

29 november 2002 van Y. Hamersma. De resterende verdiencapaciteit is in het onderhavige geval door appellant geschat aan de hand van de door betrokkene afgelegde verklaring over zijn verdiensten met het "zwarte" schilderwerk, nu betrokkene geen administratie van dat werk en de verdiensten daaruit heeft bijgehouden.

Hamersma geeft in het resumé fraude correct weer dat betrokkene op 23 oktober 2002 heeft verklaard dat hij de laatste drie jaar er naar streefde, omgerekende in euro's,

€ 635,29 per maand bij te verdienen en dat dit voor die tijd € 453,78 per maand was.

De Raad kan dit niet rijmen met de vervolgens door Hamersma getrokken en door Peek overgenomen conclusie dat betrokkene reeds op 1 september 1995 -dat is aanzienlijk meer dan drie jaar voor oktober 2002- € 635,29 per maand zou hebben bijverdiend, hetgeen de basis is geweest voor de onderhavige herziening en terugvordering.

Dit leidt de Raad tot de conclusie dat onderhavige schatting en terugvordering wat betreft hun motivering onvoldoende grondslag vinden in de feiten en dat het bestreden besluit hierdoor een deugdelijke motivering ontbeert, hetgeen in strijd is met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De aangevallen uitspraak, behalve voor zover daarin over de proceskosten en de vergoeding van griffierecht is beslist, en het bestreden besluit kunnen daarom niet in stand blijven.

Appellant dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van het indeze uitspraak overwogene.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve voor zover daarin over de proceskosten en de vergoeding van griffierecht is beslist;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H. Bolt en C.W.J. Schoor als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) C.D.A. Bos.

JL