Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7349

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
05-2350 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2350 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 maart 2005, 03/2731

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft in 1984 verzocht om toekenning van een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) in verband met rugklachten. Een rechtsvoorganger van het Uwv heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van

12 juli 1984.

Appellant is op 1 augustus 1998 voor 20 uur per week als algemeen horeca-medewerker in loondienst in een door zijn zoon geëxploiteerd buurthuis gaan werken. Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat zijn echtgenote samen met zijn zoon een vennootschap onder firma vormen, waarin zijn zoon een winstaandeel heeft van 95% en zijn echtgenote 5%.

Op 2 januari 2002 is appellant uitgevallen voor zijn werk met een beiderzijdse waterbreuk. Nadat hij daarvoor was geopereerd, heeft hij de werkzaamheden niet hervat wegens het opspelen van zijn rugklachten. Tevens had hij last van beenklachten. Hij is tot het einde van de wachttijd, 31 december 2002, arbeidsongeschikt gebleven.

Bij besluit van 1 april 2003 heeft het Uwv appellants aanvraag om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) afgewezen. Het Uwv legde aan deze weigering ten grondslag dat appellant reeds bij aanvang van de verzekering – op 1 augustus 1998 – rugbeperkingen had en dat deze beperkingen sindsdien weliswaar waren toegenomen, maar niet zodanig dat appellant niet in staat zou zijn tot het verrichten van de maatgevende arbeid.

Bij besluit van 3 september 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv appellants bezwaar tegen het besluit van 1 april 2003 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank te ’s-Hertogenbosch.

In de beroepsfase bleef het Uwv bij zijn standpunt dat appellant geen gronden had aangevoerd die aanleiding tot twijfel gaven aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van appellant. Bezwaararbeidsdeskundige

De Ponti kwam in de rapportage van 8 oktober 2004 tot de conclusie dat appellant onverminderd geschikt was voor de eigen arbeid, te weten algemeen horeca-medewerker onder beschutte omstandigheden. De bezwaararbeidsdeskundige overweegt in dit verband het volgende:

“Gelet op de afname van de belastbaarheid van belanghebbende is het aannemelijk dat werkzaamheden op zichzelf niet uitgesloten waren, wel dat aanpassingen in duur of tempo wenselijk werden. Gezien het feit dat belanghebbende in goed overleg zijn werkzaamheden in grote mate kon aanpassen aan zijn beperkingen, en gelet op de familieverhouding met zijn werkgever daar ook alle ruimte voor kreeg, kan de marginale afname van de belastbaarheid van belanghebbende, zoals vastgelegd door de verzekeringsarts, niet leiden tot ongeschiktheid van het werk. In overleg kon belanghebbende de werkzaamheden immers altijd al aanpassen.”

De rechtbank heeft appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog daartoe dat aannemelijk is dat appellant ook al voor aanvang van de verzekering rugbeperkingen had en dat de werkzaamheden die hij vanaf 1998 is gaan verrichten dusdanig licht zijn dat hij die met zijn beperkingen makkelijk zou moeten kunnen verrichten. Ook met de toegenomen beperkingen kon hij die werkzaamheden naar het oordeel van de rechtbank nog steeds verrichten. Aangezien appellant nog steeds op de loonlijst bij zijn zoon stond, was de rechtbank van oordeel dat het eigen werk nog beschikbaar was en dat het Uwv hem terecht voor die arbeid geschikt heeft geacht.

De Raad overweegt dat, nog daargelaten wat er zij van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische beoordeling, dit besluit op arbeidsdeskundige gronden geen stand houdt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 29 oktober 2004, 02/4479 WAO (LJN: AR5284), dient bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde in beginsel als de zogeheten maatman te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid verrichtte. Uit geschiktheid voor deze maatmanarbeid volgt in beginsel dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Dit is anders als hervatting in de oude functie niet mogelijk is en de maatmanarbeid zo specifiek is dat soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers niet of nauwelijks voorhanden is.

In hoger beroep heeft appellant verklaard dat hij na zijn uitval feitelijk niet meer werkzaam is geweest in het bedrijf van zijn zoon. Gedurende het eerste ziektejaar is het loon vanuit een verzekering doorbetaald, daarna hebben nog betalingen plaatsgevonden bij wege van voorschot op een eventuele arbeidsongeschiktheidsuitkering.

In de rapportage van 8 oktober 2004 geeft bezwaararbeidsdeskundige De Ponti, onder verwijzing naar de rapportage van arbeidsdeskundige Goedhart van 20 december 2002, aan dat de maatgevende werkzaamheden als gevolg van een gewijzigde economische situatie bij de werkgever niet meer aan appellant kunnen worden aangeboden. In genoemde rapportage van 8 oktober 2004 is aangegeven dat appellant werkzaam was in een zogenaamde ‘witte raven baan’. De bezwaararbeidsdeskundige omschrijft deze arbeid voor appellant als volgt:

“Met de primaire arbeidsdeskundige ben ik het eens dat de werkzaamheden van belanghebbende te kenmerken zijn als in hoge mate aangepaste arbeid, aangepast aan de beperkingen van belanghebbende zoals hij die in het werk ervoer.

Juist het feit dat belanghebbende zijn werkzaamheden verrichtte in dienst van zijn zoon zal hem hebben geholpen om zijn werkzaamheden aan te passen aan zijn mogelijkheden. De familierelatie zal hebben bijgedragen aan een open communicatie en een groter begrip voor de situatie van belanghebbende. De werkzaamheden van belanghebbende zijn als gevolg daarvan niet zondermeer te vergelijken met gangbare arbeid zoals we die op de reguliere arbeidsmarkt tegenkomen. Gelet op de forse beperkingen van belanghebbende, zoals aanwezig bij aanvang van het dienstverband, zou belanghebbende ook niet in staat zijn tot dat soort werkzaamheden, hij is aangewezen op arbeid onder beschutte omstandigheden.”

Naar het oordeel van de Raad kan uit de omstandigheid dat appellant nog op de loonlijst stond niet zonder meer worden afgeleid dat de functie van appellant nog beschikbaar was. De werkgever heeft immers aangegeven als gevolg van economische omstandigheden geen gebruik meer te kunnen maken van de diensten van appellant. Het Uwv heeft niet onderzocht of hervatting in het eigen werk feitelijk nog mogelijk was. Evenmin is onderzocht of aan de maatmanarbeid soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning in voldoende mate bij andere werkgevers voorhanden was. Gezien het ook door het Uwv erkende bijzondere karakter van de functie van appellant, waarin de familieverhouding met de werkgever een rol speelt, acht de Raad het overigens weinig aannemelijk dat een vergelijkbare functie bij andere werkgevers voorhanden zou zijn. De Raad is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat hervatting in de eigen functie nog mogelijk was, en dat evenmin is komen vast te staan dat die functie niet zo specifiek is dat zij niet of nauwelijks op de arbeidsmarkt voorkomt. Gelet op zijn vaste rechtspraak, is de Raad dan ook van oordeel dat er niet is voldaan aan de voorwaarden die gelden voor het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid aan de hand van geschiktheid voor de maatmanarbeid.

Reeds op grond van het vorenoverwogene komen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De andere beroepsgronden die appellant heeft aangevoerd behoeven dan ook geen bespreking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 134,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.