Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7345

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
05-7325 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7325 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 november 2005, 04/930 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Severijn en de zuster van appellant. Het Uwv heeft zich met kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 1 oktober 1997 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt geworden voor zijn werk als arrestantenbewaker. Aan hem is na de wettelijk voorgeschreven wachttijd van 52 weken een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 16 maart 2001 ingetrokken. Appellant is op 15 mei 2003 werkzaamheden gaan verrichten via een uitzendbureau. Hij werkte voor verschillende inleners als schoonmaker, keukenmedewerker en barman. De arbeidsdeskundige heeft zijn maatgevende arbeid bepaald op het schoonmaak-, keuken- en barwerk bij twee inleners gedurende gemiddeld circa 27 uur per week. Op 12 november 2003 heeft appellant zich ziek gemeld met depressieve klachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts is hij op 30 maart 2004 hersteld verklaard en heeft het Uwv appellant bericht dat hij met ingang van 30 maart 2004 geen recht meer had op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen de beëindiging van het ziekengeld is appellant op

10 mei 2004 onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts K. Corten. Deze is op basis van haar onderzoek en bestudering van het dossier, waaronder inlichtingen van behandelend psychiaters, tot de conclusie gekomen dat sprake was van een depressieve stoornis in remissie en een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en paranoïde kenmerken. De bezwaarverzekeringsarts achtte onvoldoende medische of psychische redenen aanwezig om appellant op en na 30 maart 2004 nog langer als ongeschikt te beschouwen voor de eerder in het kader van de WAO-schatting geselecteerde functies. Appellant werd ook geschikt geacht voor zijn in 2003 verrichte schoonmaak- en kantinewerkzaamheden, evenals voor een combinatie hiervan.

Bij besluit van 13 mei 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich in haar overwegingen laten leiden door het rapport van de psychiater prof. dr. J.J. van Os, die de rechtbank als onafhankelijk medisch deskundige van verslag en advies heeft gediend.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij zich niet kan vinden in het oordeel dat zijn beperkingen niet voortkomen uit ziekte of gebrek, maar samenhangen met een persoonlijkheidsstoornis. Hij acht zich gezien zijn klachten niet in staat werkzaamheden te verrichten. Hij wijst op de geconstateerde borderline en narcistische persoonlijkheidsstoornis en daarnaast de verslavingsproblematiek. De beperkingen die appellant ten gevolge van zijn psychische klachten heeft, zijn er ook op momenten dat hij geen acute zorg nodig heeft of opgenomen is. Kort na de datum in geding heeft appellant zich weer onder behandeling moeten stellen, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot een opname in september 2004. Hij betwist het oordeel van de rechtbank dat hij in de drie jaar voorafgaand aan zijn uitval arbeid heeft kunnen verrichten en stelt dat uit de stukken juist blijkt dat hij voorafgaand aan zijn uitval in november 2003 heeft gewerkt in een zeer wisselend arbeidspatroon waarbij het hem niet lukte structureel werk vast te houden. Kort voor de zitting heeft appellant de Raad een aantal medische rapporten doen toekomen uit de jaren 1998, 1999, 2001 en 2004.

De Raad stelt vast dat de deskundige Van Os appellant heeft onderzocht en kennis heeft genomen van de stukken in het dossier en van door de deskundige opgevraagde inlichtingen van medisch behandelaars. De Raad ontleent aan het rapport van de deskundige het volgende:

“Gezien wordt een 45 jarige Marokkaanse man, met klachten die passen bij een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline trekken. Tevens is er een chronische aanpassingsstoornis met depressieve stemming. Daarnaast is er een paranoïde basishouding bij betrokkene en is er sprake van veelvuldige conflicten in de interpersoonlijke contacten. Verder is er sprake van misbruik van verschillende middelen; momenteel is er sprake van misbruik van kalmeringstabletten, voorheen van alcoholmisbruik en/of cannabismisbruik. De vele behandelingen die betrokkene heeft gehad (ambulant, klinische opname, psychotherapeutisch en medicamenteuze behandeling) lijken geen verandering in zijn situatie te hebben gebracht, mede omdat betrokkene weinig gebruik maakt van behandeling zowel intra- als extramuraal. Tevens lijkt zijn toestand in de afgelopen jaren, met name de laatste drie jaar, niet te zijn veranderd.”

De deskundige achtte het op basis van de verkregen informatie waarschijnlijk dat zich op 30 maart 2004 hetzelfde toestandsbeeld voordeed. Er was ten tijde van het onderzoek een reële beperking in het functioneren op het niveau van de interpersoonlijke contacten en het sociaal gedrag van appellant, voortvloeiend uit de narcistische en borderline kenmerken. Deze beperkingen hangen niet samen met ziekte of gebrek maar met de persoonlijkheidsstoornis. De bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts Corten van 10 mei 2004 kon de deskundige niet weerleggen. Gelet op de voorgeschiedenis van appellant achtte de deskundige het wenselijk rekening te houden met de haalbaarheid van de eisen die men aan appellant stelt. Met name moet rekening worden gehouden met het feit dat problemen zouden kunnen blijven bestaan in het functioneren in interpersoonlijke contacten voortvloeiend uit de persoonlijkheidsstoornis.

In een reactie op het rapport van de deskundige stelt de bezwaarverzekeringsarts Corten dat het schoonmaak- en keukenwerk redelijk solitair verricht kan worden zonder directe intermenselijke contacten die mogelijk tot conflicten zouden kunnen leiden, en dat de contacten bij het barwerk kort en oppervlakkig zijn, zodat ook dit werk haalbaar geacht moet worden. Ook de eerder in het kader van de WAO-schatting voor appellant geselecteerde functies achtte de bezwaarverzekeringsarts, gelet op de door de deskundige aangegeven beperkingen, geschikt.

Ingevolge artikel 19 van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Als zijn arbeid geldt de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Dat is in dit geval de combinatie van werkzaamheden zoals hierboven beschreven gedurende circa 27 uur per week.

De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen reden te oordelen dat het medisch onderzoek dan wel de beoordeling van de gezondheidstoestand van appellant in dit geding tekort zou schieten. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.

De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts zich heeft verenigd met de door de deskundige Van Os aangegeven beperking van appellant in het functioneren op het niveau van de interpersoonlijke contacten en het sociaal gedrag van appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens het rapport van 12 juli 2005 beoogd het laatst verrichte werk, zijnde schoonmaak-, keuken- en barwerk bij ten minste twee inleners, te toetsen aan deze beperking. De bezwaarverzekeringsarts had daarbij echter niet de beschikking over enige concrete informatie over aard en zwaarte van het laatst verrichte werk, met name in samenhang bezien met genoemde beperking. De conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant ondanks die beperking geschikt was te achten voor zijn arbeid, ontbeert naar het oordeel van de Raad dan ook een deugdelijke motivering. Dit klemt temeer nu uit de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 9 maart 2004 en van de arbeidsdeskundige van 16 februari 2005 naar voren komt dat problemen met interpersoonlijke contacten juist (mede) aanleiding waren voor de uitval van appellant. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dat ook het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen dat wel voldoet aan de daaraan te stellen motiveringseisen. In dat verband merkt de Raad nog op dat uit de stukken niet duidelijk wordt of appellant naast de door hem feitelijk verrichte werkzaamheden laatstelijk nog een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving. De opmerking in het rapport van de verzekeringsarts van 30 maart 2004 dat appellant zich “vanuit de WW situatie” heeft ziek gemeld lijkt daarop te duiden, evenals het feit dat de bezwaarverzekeringsarts telkenmale ook de geschiktheid van appellant voor de in het kader van de WAO-schatting voor hem geselecteerde functies heeft beoordeeld. De Raad geeft het Uwv dan ook in overweging dit aspect bij de voorbereiding van een nieuw te nemen besluit te betrekken.

De Raad ziet aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen, het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te vernietigen en het Uwv op te dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 483,- in eerste aanleg en op € 644,- in hoger beroep, in totaal € 1.127,-.

Met betrekking tot het verzoek van appellant tot veroordeling van het Uwv tot vergoeding van geleden schade is de Raad van oordeel dat dit verzoek thans niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat gezien het vorenstaande thans nog niet vaststaat of er schade wordt geleden en zo ja, welke omvang deze schade heeft. Wel zal het Uwv bij de voorbereiding van een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van deze uitspraak tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.127,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) J.J. Janssen.