Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7344

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
05-3911 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkeing. Heeft het Uwv terecht aangenomen dat geen sprake is van toename van arbeidsongeschiktheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3911 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 mei 2005, 04/893 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Visser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven.

Bij brief van 6 oktober 2003 heeft appellante het Uwv verzocht in aanmerking te worden gebracht van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met een toename van haar klachten vanwege fibromyalgie.

Bij besluit van 22 januari 2004 heeft het Uwv met toepassen van artikel 43a van de Wet op arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd appellante de verzochte uitkering toe te kennen. Bij besluit van 2 juli 2004 heeft het het Uwv het hiertegen aangetekende bezwaar ongegrond verklaard.

In dit geding moet beoordeeld worden of het Uwv terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van toename van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a van de WAO.

De rechtbank heeft dienaangaande overwogen dat er op grond van de beschikbare informatie geen aanleiding is te twijfelen aan het standpunt van het Uwv dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de voor appellante door de verzekeringsartsen eerder vastgestelde beperkingen.

De Raad kan zich volledig vinden in het oordeel van de rechtbank.

Bij de beoordeling van dit besluit stelt de Raad voorop dat volgens vaste jurisprudentie het hier van toepassing zijnde artikel 43a, eerste lid, van de WAO geen regeling inhoudt van een toename van arbeidsongeschiktheid in algemene zin doch naar bewoordingen en bedoeling uitsluitend ziet op die situaties waarin sprake is van een toename van de medische beperkingen die ten grondslag lagen aan de eerder toegekende doch nadien ingetrokken uitkering. Indien van een zodanige toename niet kan worden gesproken, wordt aan een beoordeling van arbeidskundige aspecten niet meer toegekomen. Slechts indien zich zulk een toename wel voordoet, dient ter beoordeling of, en zo ja in welke omvang, die toename van beperkingen ook leidt tot een toename van arbeidsongeschiktheid, de arbeidskundige component in ogenschouw te worden genomen.

In het onderhavige geval is, gegeven de afwezigheid van een toename van de medische beperkingen in de hiervoor bedoelde zin terecht niet toegekomen aan een beoordeling van arbeidskundige aspecten. Reeds deswege kan appellante niet worden gevolgd in haar grief dat het Uwv bij de beoordeling van de aanvraag van appellante ten onrechte gebruik heeft gemaakt van het Functie Informatie Systeem (FIS) in plaats van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem. Niet valt in te zien welk nadeel appellante zou hebben ondervonden van het feit dat de FIS-belastbaarheid gegevens uit december 2000 niet zijn omgezet naar een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst.

Ten aanzien van het van de zijde van appellante ingebrachte rapport van 23 augustus 2004 van psychiater D.W. Oppedijk merkt de Raad, met de rechtbank, op dat diens standpunt niet kan overtuigen nu hij geen inzichtelijke motivering geeft van zijn standpunt dat er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. De Raad kan zich -met de rechtbank- niet aan de indruk onttrekken dat genoemde psychiater de klachtenbeleving van appellante teveel heeft laten meewegen bij zijn uiteindelijke oordeelsvorming en aldus een onvoldoende geobjectiveerde maatstaf heeft gehanteerd.

Uit het vorengemelde vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.