Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7338

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
06/1050 AW, 06/1051 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straf korting van 10% op salaris wegens niet meewerken van re-integratie ter voorkoming van ontslag.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 71a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1050 AW en 06/1051 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 januari 2006, 05/1421 en 05/1966 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: college)

Datum uitspraak: 23 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 april 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Scholten, advocaat te Utrecht, en G.L.J.M. Mulders, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in 1984 in dienst getreden van de gemeente Utrecht. In maart 1995 is appellant uitgevallen wegens ziekte. Aan appellant is een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant is blijvend en volledig arbeidson-geschikt voor zijn eigen functie en wordt herplaatsbaar geacht voor algemeen geaccep-teerde arbeid. Nadat het overleg tussen partijen over een minnelijke vertrekregeling niet tot een bevredigend resultaat had geleid, heeft het college appellant bij brief van

19 november 2002 - kort samengevat - meegedeeld dat zal worden getracht hem te herplaatsen.

1.2. Aansluitend heeft het college bij brief van 13 december 2002 appellant kenbaar gemaakt dat zijn medewerking daarbij wordt verlangd om te voorkomen dat aan hem ontslag zal moeten worden verleend. Appellant is per maart 2003 tijdelijk gedetacheerd bij de dienst Stadsbeheer. Bij brief van 27 mei 2004 heeft het college aan appellant kenbaar gemaakt dat het re-integratietraject zal worden voortgezet.

1.3. Bij besluit van 14 oktober 2004 heeft het college aan appellant de disciplinaire straf van inhouding van 10% van zijn salaris gedurende zes maanden opgelegd. Dit besluit is na door appellant gemaakt bezwaar bij besluit van 25 april 2005 (hierna: besluit 1) gehandhaafd. Aan deze korting op het salaris is ten grondslag gelegd dat appellant op

12 juli 2004 en 22 september 2004 heeft geweigerd een voortgangsgesprek te houden met zijn re-integratieadviseur M., dat appellant niet dan wel niet tijdig de verslagen van eerdere voortgangsgesprekken heeft geretourneerd en de gang van zaken rond en het niet tijdig terugkeren van het hem voor de periode van 21 juli 2004 tot en met 29 augustus 2004 verleende verlof. Deze gedragingen zijn door het college als plichtsverzuim aangemerkt. Voorts is overwogen dat de opgelegde straf, gelet op het feit dat sprake is van herhaald gedrag en van meerdere gedragingen, niet onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim.

1.4. Bij besluit van 11 maart 2005 heeft het college wederom aan appellant de disciplinaire straf van inhouding van 10% van zijn salaris gedurende zes maanden opgelegd. Bij brief van 25 april 2005 is appellant in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken de gronden van het bezwaar in te dienen. Het door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 juni 2005 (hierna: besluit 2) niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gronden waarop het bezwaar berust niet binnen de gestelde termijn waren ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit 1 en het beroep tegen het besluit 2 ongegrond verklaard.

3. disciplinaire straf van korting op het salaris

3.1. Appellant heeft ook in hoger beroep betwist dat sprake is van plichtsverzuim. In de visie van appellant is geen sprake van een rechtsgeldig re-integratieplan als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO, nu dit plan niet in overeenstemming met hem is opgesteld. Appellant hoefde dan ook geen gehoor te geven aan de verzoeken om voortgangsgesprekken met zijn re-integratieadviseur te houden. Appellant acht zijn late terugkeer van vakantie evenmin verwijtbaar, nu hij alles in het werk heeft gesteld om tijdig terug te keren uit Suriname, maar dit helaas niet is gelukt. Voorts is appellant van oordeel dat de korting op zijn salaris disproportioneel is.

4.1. De Raad stelt voorop dat de grief van appellant dat, gelet op artikel 71a, tweede lid, van de WAO geen sprake is van een rechtsgeldig re-integratietraject, niet slaagt. De Raad merkt in dit verband op dat dit artikel, in de tekst waarvan appellant uitgaat, van toepassing is in geval de eerste ziektedag op of na 1 april 2002 ligt (Stb. 2001/685). Voorts ziet dit artikel op de re-integratie-inspanningen voorafgaand aan de toekenning van een WAO-uitkering, zodat deze bepaling reeds vanwege het feit dat appellant al in 1995 wegens ziekte is uitgevallen, niet van toepassing is.

4.2. Gelet op artikel 7:18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Arbeidsvoorwaarden-regeling Utrecht (ARU) is de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid wegens ziekte verhinderd is zijn functie te vervullen, verplicht om gevolg te geven aan, door het college of een door hen aangewezen deskundige gegeven, redelijke voorschriften.

4.3. Met de rechtbank en het college is de Raad van oordeel dat de appellant opgelegde verplichting om in verband met herplaatsingsonderzoek periodiek een voortgangsgesprek te voeren niet onredelijk is te achten. Ook voor de Raad is genoegzaam komen vast te staan dat appellant geweigerd heeft de voor 12 juli 2004 en 22 september 2004 geplande voortgangsgesprekken met zijn re-integratieadviseur M. te voeren. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat uit het advies van de bedrijfsarts niet kan worden afgeleid dat appellant zou zijn afgeraden deel te nemen aan de gesprekken met M. De brief van de behandelend psycholoog leidt niet tot een ander oordeel, omdat het college naar aanleiding van deze brief advies heeft ingewonnen bij de bedrijfsarts, die de zienswijze van de psycholoog uitdrukkelijk heeft afgewezen. Voor de Raad is verder genoegzaam komen vast te staan dat appellant de gespreksverslagen van 24 oktober 2003 en 28 mei 2004 pas na vele maanden heeft geretourneerd. In aanmerking genomen dat appellant zich blijkens de gedingstukken van meet af aan weinig coöperatief heeft opgesteld, moet worden geoordeeld dat appellant zich aldus niet heeft gedragen als een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen.

4.4. Voorts staat, wat er verder ook zij van de gang van zaken rond de aanvraag van zijn vakantieverlof, voor de Raad vast dat appellant niet tijdig is teruggekeerd uit Suriname. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant geen overtuigende reden aangevoerd waarom hij niet eerder kon terugkeren. Door te vertrekken met een vliegticket met als retourdatum 31 augustus 2004 heeft appellant bewust het risico genomen dat hij er niet in zou slagen zijn terugvlucht te vervroegen naar uiterlijk 29 augustus 2004. De Raad is voorts van oordeel dat appellant meerdere mogelijkheden om zijn leidinggevenden te informeren over zijn verlate terugkeer onbenut heeft gelaten. Zo heeft appellant nagelaten het college voorafgaand aan zijn vertrek te informeren over de datum van zijn retourticket en het daaruit voortvloeiende risico van te late terugkeer en heeft hij evenmin vanuit Suriname contact opgenomen met zijn leidinggevenden toen dit risico zich bleek te verwezenlijken.

4.5. Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en dat het college bevoegd was hem daarvoor disciplinair te straffen.

4.6. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit plichtsverzuim gelet op de aard en het doorgaande karakter van de gedragingen als ernstig dient te worden gekwalificeerd. De gekozen straf acht de Raad niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

4.7. De Raad is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover het beroep tegen besluit 1 ongegrond is verklaard, moet worden bevestigd.

5. ontvankelijkheid bezwaar

5.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuurs-recht (Awb) dient het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb, voor zover hier van belang, bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van die wet, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

5.2. De Raad stelt vast dat het bezwaarschrift van 19 april 2005 geen gronden bevat. Bij brief van 25 april 2005 heeft het college appellant de gelegenheid geboden dit verzuim te herstellen en daarbij aangegeven dat de gronden binnen 4 weken na dagtekening van deze brief moesten zijn ontvangen, bij gebreke waarvan niet-ontvankelijkverklaring zou kunnen volgen. Anders dan door appellant is betoogd betekent dit dat de hersteltermijn eindigde op 23 mei 2005 en dat de gronden op die datum binnen moesten zijn bij het college. De datum van verzending, wat daar ook van zij, is niet doorslaggevend.

5.3. Blijkens het daarop aangebrachte inkomststempel zijn de aanvullende gronden op 24 mei 2005 door het college ontvangen. De Raad ziet geen aanleiding voor het volgen van de - overigens eerst ter zitting van de Raad naar voren gebrachte - niet onderbouwde stelling van appellant dat de postregistratie bij het college niet op orde zou zijn.

5.4. Gezien het voorgaande was het college bevoegd om het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk te verklaren. De Raad is voorts niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat appellant niet in staat was om - hoe summier ook - tijdig gronden in te dienen.

5.5. De Raad komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat ook het hoger beroep inzake de ontvankelijkheid van het bezwaar geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak, voor zover het beroep tegen besluit 2 ongegrond is verklaard, moet worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K. Zeilemaker als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers

(get.) R.A. Huizer.