Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7334

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
05-2446 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2446 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 1 april 2005, 03/3398 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.F.T. de Bruijn van der Vleuten, werkzaam bij Hulp & Adviesbureau de Bruijn gevestigd te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M. van der Sande.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 29 mei 2000 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als lakspuiter vanwege diverse klachten. In april 2001 is de belastbaarheid van appellant door een verzekeringsarts onderzocht en vastgelegd in de verwoording belastbaarheid belanghebbende van 18 april 2001. Aan de hand van dit belastbaarheidsprofiel is een arbeidsdeskundige met toepassing van het Functie Informatie Systeem tot de conclusie gekomen dat appellant nog in staat is bepaalde werkzaamheden te verrichten en is aan hem bij besluit van 17 mei 2001 met ingang van 28 mei 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 1 februari 2002 ongegrond verklaard door het Uwv.

De rechtbank (02/561) heeft op 25 augustus 2003 het beroep tegen het besluit van 1 februari 2002 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts in het belastbaarheidsprofiel aangegeven beperkingen voor onjuist te houden en naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen twijfel over de juistheid van de medische grondslag van dit besluit. Ten aanzien van de arbeidskundige aspecten voldoet het besluit volgens de rechtbank echter niet aan de eis dat in het geval van een medische parttimer moet vaststaan dat de voorgehouden functies in medisch opzicht aan de maximaal mogelijke omvang voldoen.

In navolging van deze uitspraak heeft een bezwaararbeidsdeskundige op 28 oktober 2003 aanvullend onderzoek verricht aan de hand van hetzelfde belastbaarheidsprofiel. Met toepassing van het Functie Informatie Systeem zijn opnieuw functies geselecteerd die voldoen aan de eis wat betreft de medische urenbeperking en die na overleg met een bezwaarverzekeringsarts geschikt zijn bevonden. Bij het bestreden besluit van 7 november 2003 is het bezwaar tegen het besluit van 17 mei 2001 opnieuw ongegrond verklaard, omdat appellant volgens het Uwv per 28 mei 2001 onveranderd voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en stelt zich op het standpunt dat hij niet in staat is deze geselecteerde functies te verrichten vanwege zijn beperkingen. Daarnaast geeft appellant aan dat hij niet is gehoord voorafgaande aan de nieuwe beslissing.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft vastgesteld dat tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 augustus 2003 door partijen geen rechtsmiddelen zijn aangewend en dat die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Het Uwv heeft volgens de rechtbank voldoende - nieuwe - parttime functies geselecteerd, die ten aanzien van de belasting blijven binnen de voor appellant geldende beperkingen, zoals ook toegelicht in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 28 oktober 2003. Ten aanzien van de grief van appellant dat deze niet is gehoord voorafgaande het bestreden besluit merkt de rechtbank op dat dit besluit niet berust op een zodanige nieuwe grondslag dat appellant wederom had moeten worden gehoord. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 4 november 2003, LJN AN9746, gepubliceerd in USZ 2004/2, wordt door de rechtbank aangetekend dat het Uwv bij een WAO-beoordeling in aansluiting op de voorgeschreven wachttijd in elke fase de van de procedure nog functies kan bijduiden, zonder de verplichting opnieuw te horen.

In hoger beroep stelt appellant zich wederom op het standpunt dat, omdat zijn klachten zijn toegenomen, hij de geselecteerde functies niet kan verrichten en hij opnieuw gehoord had moeten worden.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad kan zich in de overwegingen van de rechtbank volledig vinden en verenigt zich daarmee. De Raad merkt op dat de vastgestelde beperkingen op de datum in geding (28 mei 2001), zoals weergegeven in het belastbaarheidsprofiel van 18 april 2001, niet in geding zijn vanwege het in kracht van gewijsde zijn gegaan van de uitspraak van de rechtbank van 25 augustus 2003. Dit geding beperkt zich zodoende tot de vraag of de functiebelasting van de (nieuw) geselecteerde functies in overeenstemming is met het belastbaarheidsprofiel. Zoals ook door de rechtbank overwogen zijn er parttime functies geselecteerd, die ten aanzien van de belasting blijven binnen de voor appellant vastgestelde beperkingen. Er zijn in hoger beroep door appellant geen gegevens overgelegd die aanleiding geven voor twijfel aan het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 28 oktober 2003. De grief van appellant dat zijn klachten zijn toegenomen en dit onderzocht had moeten worden en hij hierover alsmede over de nieuw geselecteerde functies gehoord had moeten worden kan gelet op voormelde uitspraak van de Raad niet slagen.

Het Uwv heeft appellant terecht met ingang van 28 mei 2001 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Het hoger beroep in deze zaak slaagt niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.