Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7330

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
05-4561 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4561 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 juni 2005, 05/16 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. H. Drenth, kantoorgenoot van mr. De Leon, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Drenth. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 28 november 2001 uitgevallen uit zijn functie als fulltime assistent conciërge aan een basisschool.

Bij besluit van 14 maart 2003 heeft het Uwv appellants verzoek tot verstrekking van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) afgewezen onder overweging dat er geen sprake is van ziekte of gebrek als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO en dat er dus geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van die wet.

Na vernietiging van een eerder besluit waarbij het beroep tegen het besluit van 14 maart 2003 ongegrond was verklaard, heeft het Uwv bij het thans bestreden besluit van 9 december 2004 het bezwaar andermaal ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de onderzoeken door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsartsen van het Uwv geen aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat die onderzoeken onvoldoende diepgaand of anderszins onvoldoende zorgvuldig zouden zijn.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat er wel degelijk sprake is van ziekte en gebrek in de zin van de WAO en heeft daarbij verwezen naar de visie van de behandelende sector aangaande zijn klachten. Appellant is de mening toegedaan dat de verzekeringsartsen zowel zijn fysieke- als zijn psychische klachten onvoldoende onderzocht hebben.

De Raad kan appellant hierin niet volgen nu bij de heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts de bevindingen van de behandelende sector, waaronder die van psychiater H. Koers, expliciet bij de beoordeling betrokken zijn.

De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat in het geheel van medische gegevens die ter beschikking staan voldoende steun wordt aangetroffen voor de conclusie van de verzekeringsartsen dat er niet aantoonbaar sprake is van enige relevante op ziekte of gebrek terug te voeren arbeidsbeperking.

Het hoger beroep slaagt niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.