Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7327

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
05-4768 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4768 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 juni 2005, 04/2574 (hierna: aangevallen uitspraak),

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2007. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv is evenmin verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Bij besluit van 31 augustus 2004 heeft het Uwv appellante bericht dat zij met ingang van 31 augustus 2004 geen recht heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 26 november 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen eerstgenoemd besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe, samengevat, overwogen geen reden te zien om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts die over de gezondheidstoestand en de belastbaarheid van appellante hebben gerapporteerd. Appellante heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk kunnen maken dat haar belastbaarheid ten opzichte van de beoordeling in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 26 juni 2001 is afgenomen. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin zij heeft geoordeeld dat de appellante destijds voorgehouden functies, zoals vermeld op de Arbeidsmogelijkhedenlijst van 11 juli 2001, op goede gronden passend zijn geacht voor haar. De rechtbank ziet geen aanleiding anders te oordelen in dit beroep en acht appellante derhalve ingaande 31 augustus 2004 geschikt voor haar eigen werk in de zin van de ZW, zijnde de eerdergenoemde functies.

De Raad overweegt dat appellante in hoger beroep heeft verwezen naar de gronden van het bezwaar en het beroep. Met betrekking tot haar gezondheidstoestand op de datum in geding, 31 augustus 2004, heeft appellante geen nadere gegevens van medische aard overgelegd. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot het oordeel hebben geleid dat appellante op de datum in geding in staat was te achten ten minste één van de in het kader van de WAO-schatting in 2001 geselecteerde functies te verrichten.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.