Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7316

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
04/5777 WAO e.a.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5777 WAO

04/5778 WAO

04/5800 WAO

04/5801 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 september 2004, 04-999 en 04-1000 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

betrokkene

en

het Uwv

Datum uitspraak: 31 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben van verweer gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2007. Voor betrokkene is verschenen mr. Van den Brom voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv mede verstaan het Lisv.

Betrokkene, die de Marokkaanse nationaliteit heeft, heeft op 29 maart 1993 zijn werk als metselaar gestaakt wegens rugklachten. In de loop van het Ziektewetjaar heeft hij maagklachten gekregen. Aan hem is bij besluit van 25 maart 1994 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke bij besluit van 5 mei 1994 per 13 juni 1994 is ingetrokken. Tegen dit besluit heeft betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend. Betrokkene is teruggekeerd naar Marokko.

Bij brief van 3 januari 1999 heeft betrokkene aan het Uwv verzocht om aan hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen.

Bij besluit van 5 augustus 1999 is dit verzoek afgewezen. Betrokkenes bezwaar hiertegen is bij besluit van 10 mei 2000 gegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat een medische basis voor de afwijzing op grond van artikel 43a van de WAO ontbreekt.

Betrokkene is in september en oktober 2000 onderzocht in Marokko. De bezwaar-verzekeringsarts W.A. Faas merkt op dat uit de CNSS-gegevens blijkt van een verslechtering. Inmiddels is er sprake van een hartaandoening. Ten aanzien van de verzekerde ziekte-oorzaken - rug en maag - is geen sprake van structureel toegenomen beperkingen ten opzichte van 13 juni 1994.

Bij besluit van 22 februari 2001 is het bezwaar tegen het besluit van 5 augustus 1999 ongegrond verklaard. Het beroep tegen dit besluit is door de rechtbank doorgezonden naar het Uwv ter behandeling als bezwaarschrift.

Bij brief van 10 juli 2002 is namens betrokkene aangevoerd dat bij de intrekking van de uitkering per 13 juni 1994 ten onrechte een schatting op uurlonen heeft plaats gevonden. Bij een schatting op maandlonen zou betrokkene in de klasse 15 tot 25% zijn gevallen. Aan het Uwv wordt verzocht om terug te komen van het besluit van 5 mei 1994.

Op 14 november 2002 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Door de gemachtigde is aangegeven dat zij zich kan vinden in de stelling dat de hartklachten nieuw zijn. Volgens de gemachtigde dienen echter de rug- en maagklachten van betrokkene aanleiding te geven tot meer beperkingen. Betoogd wordt dat - mede gezien de onjuiste grondslag van het maatmaninkomen - ook een arbeidskundige beoordeling dient plaats te vinden.

Bij besluit van 19 december 2002 is het bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2001, hierna: besluit 1, ongegrond verklaard. Ter motivering wordt opgemerkt dat er geen reden is om aan te nemen dat er sprake is van toegenomen beperkingen als gevolg van de rug- en maagklachten.

Tegen dit besluit is namens betrokkene op 27 januari 2003 beroep ingesteld.

Bij brief van 21 mei 2003, aangevuld bij brief van 13 juni 2003, heeft het Uwv aan de gemachtigde van betrokkene laten weten dat het verzoek om terug te komen van het besluit van 5 mei 1994 wordt afgewezen. Er zal geen nieuwe schatting op maandlonen volgen.

Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 23 september 2003, hierna besluit 2, ongegrond verklaard. Ter motivering wordt opgemerkt dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld. Ook tegen besluit 2 is beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten 1 en 2 gevoegd behandeld. Ter zitting is namens betrokkene nog aan de orde gesteld dat bij de berekening van betrokkenes maatmaninkomen de vakantietoeslag van 8% ten onrechte buiten beschouwing is gelaten.

In het beroep aangaande de weigering om terug te komen van het besluit van 5 mei 1994 heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Het feit dat betrokkene inmiddels heeft ontdekt dat het Uwv destijds een onjuist maandloon heeft gehanteerd, kan niet als een nieuw feit worden beschouwd. Deze onjuistheid bestond immers al in 1994 en betrokkene had deze fout kunnen onderkennen. Onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad wordt opgemerkt dat de kennelijke onjuistheid van het toetsingskader geen rol speelt bij de beslissing op verzoeken die zijn gebaseerd op artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep tegen besluit 2 wordt ongegrond verklaard.

Terzake van de afwijzing van de aanvraag om een WAO-uitkering op grond van artikel 43a van de WAO overweegt de rechtbank dat zij het standpunt van het Uwv dat er geen sprake is van een toename van de (verzekerde) beperkingen juist acht gezien het uitvoerige medische onderzoek in Marokko. Dat de rug- en maagklachten voor een toename van de beperkingen zouden hebben gezorgd is door betrokkene niet met medische gegevens onderbouwd. De rechtbank kan zich echter niet vinden in het oordeel van het Uwv dat uit het voorgaande volgt dat geen arbeidskundig onderzoek hoefde plaats te vinden. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de vakantietoeslag van 8% buiten beschouwing is gelaten. Bij toekomstige aanspraken op grond van artikel 43a van de WAO kan dit niet buiten beschouwing blijven. Op die grond wordt besluit 1 vernietigd.

Namens betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van het beroep tegen besluit 2. Aangevoerd wordt dat er sprake is van een duuraanspraak. Bij de toetsing van een verzoek om terug te komen van een besluit met betrekking tot een duuraanspraak moet onderscheid worden gemaakt tussen het verleden en de toekomst. Wat betreft de toekomst dient er minder terughoudend te worden getoetst door de rechter. Fouten moeten voor de toekomst gecorrigeerd kunnen worden.

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld tegen de gegrondverklaring door de rechtbank van het beroep tegen besluit 1. Met een beroep op de rechtspraak van de Raad wordt betoogd dat nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekerde beperkingen niet zijn toegenomen, voor een arbeidskundig onderzoek geen plaats was.

De Raad oordeelt als volgt.

Met betrekking tot het hoger beroep dat namens betrokkene is ingesteld stelt de Raad voorop dat, zoals ook door de gemachtigde ter zitting is erkend, geen sprake is van een nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid. Dat brengt naar vaste rechtspraak van de Raad mee dat - ook in een geval als het onderhavige waar het gaat om een ambtshalve genomen besluit - het Uwv de aanvraag om van dat besluit terug te komen kan afwijzen onder verwijzing naar de eerdere intrekking. Anders dan namens betrokkene is betoogd is de rechtspraak aangaande duuraanspraken niet onverkort van toepassing in gevallen als het onderhavige. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van

12 december 2003, LJN AO0725. Door de onherroepelijk geworden intrekking van de uitkering ingevolge de WAO is de rechtsbetrekking tussen betrokkene en het Uwv verbroken. Daaraan kan niet afdoen dat op grond van de Wet Amber betrokkene, hoewel niet WAO-verzekerd, onder omstandigheden voor een uitkering ingevolge de WAO in aanmerking kan komen.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor bevestiging in aanmerking komt.

Ten aanzien van het hoger beroep ingesteld door het Uwv stelt de Raad voorop dat namens betrokkene is erkend dat de hartklachten niet tot een toekenning van uitkering op grond van artikel 43a van de WAO kunnen leiden. De Raad is verder van oordeel dat door of namens betrokkene geen medische gegevens in het geding zijn gebracht, die er op wijzen dat er sprake is van een toename van de wel onder de werking van dit artikel vallende beperkingen van betrokkene. De vraag die partijen in hoofdzaak verdeeld

houdt is of - hoewel er geen sprake is van een toename van laatstbedoelde medische beperkingen - desondanks in dit geval een arbeidskundig onderzoek had dienen plaats te vinden. Met betrekking tot dit geschilpunt merkt de Raad op dat volgens zijn vaste jurisprudentie artikel 43a van de WAO ziet op een toename van de medische beperkingen, resulterend in een toename van de arbeidsbeperkingen, en dat bij gebreke van een zodanige toename een arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid achterwege kan blijven.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van het Uwv slaagt en dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep tegen besluit 1 dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op besluit 2;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het inleidende beroep voor zover gericht tegen besluit 1 ongegrond.

Aldus gegeven door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2007.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) P.H. Broier.

PR/220507