Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7307

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
04-3318WAO+04-3319WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Hoger beroep werkgever. Geschiktheid eigen werk. Maatman.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007/242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3318 WAO + 04/3319 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante] (hierna: appellante),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 mei 2004, 01/668 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[werknemer] (hierna: werknemer),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Aan het geding in hoger beroep heeft tevens de werknemer als partij deelgenomen.

Datum uitspraak: 12 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr.W.M. Veldjesgraaf, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De werknemer heeft schriftelijk meegedeeld als partij aan de procedure te willen deelnemen. Namens de werknemer heeft mr. F.W.C. van Megen, advocaat te Utrecht, een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De werknemer heeft geen toestemming gegeven zijn medische gegevens aan appellante ter kennisname te brengen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 5 september 2006, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Veldjesgraaf, voornoemd en waar namens het Uwv is verschenen drs. G.A. Tellinga. De werknemer is niet verschenen.

De Raad heeft het onderzoek heropend teneinde nadere vragen te stellen aan de deskundige S. Brouwer, registerarbeidsdeskundige, die op verzoek van de rechtbank op 16 april 2003 en 19 augustus 2003 aan haar rapport heeft uitgebracht. De deskundige heeft de opdracht niet aanvaard.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 20 maart 2007.

Appellante is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen drs. Tellinga, voornoemd. De werknemer is verschenen in persoon.

II. OVERWEGINGEN

De werknemer was in dienst van de rechtsvoorgangster van appellante [rechtsopvolgster] ([C]) werkzaam als onderbaas afbouw schepen toen hij op

27 oktober 1997 uitviel met psychische klachten. Met ingang van 26 oktober 1998 is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 19 mei 1999 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv deze uitkering met ingang van 1 juni 1999 ingetrokken. Hieraan lag primair de overweging ten grondslag dat de werknemer weer in staat was zijn eigen werk te verrichten.

Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt omdat zij van mening was dat de werknemer niet geschikt was voor zijn eigen werk. Bij besluit van 11 oktober 1999 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van

19 mei 1999 herroepen en de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer per

6 juli 1999 gesteld op 35 tot 45%. Hieraan lag ten grondslag een rapport van

25 augustus 1999 van de bezwaararbeidsdeskundige, die concludeerde dat belasting in het eigen werk de belastbaarheid van de werknemer ruimschoots overschreed. De werknemer werd wel geschikt geacht voor het verrichten van een aantal andere functies, waarmee hij 37,47% van zijn maatmanloon kon verdienen.

De werknemer heeft tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep bij de rechtbank ingesteld, omdat hij van mening was dat hij wel geschikt was voor zijn eigen functie.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en een proceskostenveroordeling uitgesproken. Zij heeft overwogen dat de medische beperkingen van de werknemer, die in hoofdzaak betrekking hebben op traplopen en het werken onder stress, correct zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de in rubriek I genoemde rapporten van de registerarbeidsdeskundige Brouwer dat de belasting in de eigen functie van onderbaas afbouw de belastbaarheid van de werknemer niet te boven ging zodat het Uwv zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de werknemer op de in geding zijnde datum ongeschikt was voor zijn eigen functie.

Appellante noch het Uwv kon zich met deze uitspraak verenigen. Zij hebben ieder voor zich hoger beroep ingesteld. Appellante heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de deskundige de werkplek van de werknemer niet heeft bezocht maar slechts is afgegaan op de verklaring van de werknemer en zijn collega’s en een onjuist beeld van de functie heeft gekregen, in het bijzonder wat betreft het tempo en de werkdruk, de vereiste mate van traplopen en de mogelijkheid om taken te delegeren. Appellante heeft er op gewezen dat de werknemer zelf tegen de bezwaararbeidsdeskundige heeft gezegd dat hij ongeveer vier uur per dag uitvoerende en toezichthoudende taken moest verrichten en vier tot vijf keer per dag het schip bezocht waarbij hij voornamelijk moest lopen, traplopen, klimmen en klauteren bij een scheepshoogte van zo’n 25 tot 30 meter. Appellante heeft verder ter illustratie een aantal foto´s en tekeningen van de werkplek overgelegd.

Het Uwv heeft onder meer gewezen op een rapport dat de bezwaararbeidsdeskundige

P. de Groot in de beroepsprocedure heeft uitgebracht nadat hij een werkplekonderzoek had uitgevoerd bij een soortgelijke scheepswerf als waar de werknemer werkzaam is geweest. Daaruit blijkt wel degelijk dat het ging om kniebelastend en stresserend werk. Geschiktheid voor de eigen functie impliceert ingevolge vaste rechtspraak geschiktheid voor de hele functie met alle daar aan verbonden aspecten. De omstandigheid dat de werknemer mogelijk buiten zijn meerderen om werk delegeerde aan collega’s mag volgens het Uwv niet in de beoordeling worden betrokken.

Namens de werknemer is gesteld dat de door de bezwaararbeidsdeskundige De Groot beschreven functie van onderbaas afbouw bij een ander bedrijf in het geheel niet overeenkomt met zijn functie. De werknemer onderschrijft voorts de conclusies van de onafhankelijk arbeidsdeskundige Brouwer.

De Raad stelt vast dat de medische beperkingen van de werknemer geen punt van geschil tussen partijen vormen en dat het geding in hoger beroep zich toespitst op de vraag of de werknemer met ingang van 6 juli 1999 geschikt was voor het verrichten van zijn maatmanarbeid, te weten zijn eigen werk als onderbaas afbouw. Ten aanzien van deze vraag overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad moet in het algemeen als maatmanarbeid worden aangemerkt de laatstelijk door betrokkene verrichte arbeid met alle aan die werkzaamheden verbonden belastende factoren en moet bij de beoordeling of een verzekerde daarvoor geschikt is die arbeid in zijn gehele omvang in ogenschouw worden genomen. Verwezen wordt naar ’s Raads uitspraak van 7 januari 1997, gepubliceerd in RSV 1997/140, en zijn uitspraak onder nummer LJN: AR6566, gepubliceerd in RSV 2005/22. Hoewel in beginsel moet worden uitgegaan van de functie, zoals deze door de werkgever is opgedragen bestaat in het onderhavige geval aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. De gedingstukken bieden namelijk voldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat de werknemer in de praktijk op een andere wijze functioneerde dan zijn werkgever, appellante, voor ogen stond. En kennelijk heeft de werkgever dit gedurende langere tijd toegestaan.

Uit de verklaringen die de werknemer, zijn direct leidinggevende [P] en zijn naaste collega [K] - baas afbouw voorschip - tegenover de deskundige Brouwer hebben afgelegd blijkt namelijk dat de werknemer zijn werk zelf kon indelen, meestal buiten het schip werkzaam was en de fysiek belastende taakonderdelen vrijwel geheel kon uitbesteden aan zijn naaste collega. Uit die verklaringen blijkt verder dat van een voortdurende tempo- en werkdruk geen sprake was. De deskundige Brouwer is in hoofdzaak op grond van deze verklaringen tot de conclusie gekomen dat het in de praktijk ging om een fysiek en psychisch niet belastende functie waarvoor de werknemer op

6 juli 1999 geschikt was.

De Raad kan zich evenals de rechtbank vinden in de door de deskundige opgestelde rapportages en neemt de conclusies in die rapportages over.

De Raad wijst op de ook door de arbeidsdeskundige Brouwer vermelde omstandigheid dat de op 4 mei 1999 door appellante aan het Uwv toegezonden uitgebreide functiebeschrijving vrijwel geheel overeenkomt met de tegenover de deskundige afgelegde verklaringen, met uitzondering van het in voorkomende gevallen zelf meewerken door betrokkene. De Raad merkt voorts op dat die functiebeschrijving de primair arbeidsdeskundige aanleiding heeft gegeven tot de conclusie dat het om fysiek licht en psychisch normaal werk ging, waarvoor de werknemer geschikt was.

Aan de conclusies van de bezwaararbeidsdeskundige De Groot in diens rapport van

13 juni 2002 kan de Raad niet de door het Uwv gewenste betekenis hechten, reeds omdat uit het voorgaande blijkt dat de wijze waarop de werknemer aan zijn functie bij [C] invulling gaf niet overeenkwam met het beeld dat de werkgever daarvan had. Hetzelfde moet worden gezegd met betrekking tot de door appellante in hoger beroep toegezonden foto’s en tekeningen.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van de werknemer in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 161,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van de werknemer in hoger beroep tot een bedrag groot €161,- , te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 428,-.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en

C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2007.

(get.) K.J.S. Spaas

(get.) P. Broier.

MK