Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7306

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
04-2710 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Nieuw besluit. Ontvallen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/2710 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank

Groningen van 19 april 2004, 03/392 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 juni 2006 heeft de fungerend president van de Raad de orthopedisch chirurg M.S. Sietsma als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Bij rapport van 4 december 2006 heeft de deskundige van verslag en advies gediend aan de hand van de hem voorgelegde vraagstelling.

Naar aanleiding van dit rapport heeft het Uwv een commentaar van de bezwaarverzekeringsarts N. Visser d.d. 15 januari 2007 ingezonden. Bij brief van

14 februari 2007 heeft het Uwv voorts een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige G. van Dam d.d. 8 februari 2007 en een nieuwe beslissing op bezwaar van

14 februari 2007 aan de Raad doen toekomen.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 18 september 2002 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van

29 oktober 2002 wordt ingetrokken, omdat zij niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht voor de WAO.

Bij beslissing op bezwaar van 12 maart 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de beslissing van 18 september 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd; daarbij is tevens beslist over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op de overweging dat de arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en dat het bestreden besluit door het Uwv onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.

Bij de in rubriek I van deze uitspraak genoemde nieuwe beslissing op bezwaar van

14 februari 2007 heeft het Uwv, onder gegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 18 september 2002, alsnog besloten de WAO-uitkering van appellante per

29 oktober 2002 onverkort te baseren op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De Raad overweegt als volgt.

Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 14 februari 2007 is naar het oordeel van de Raad geheel tegemoet gekomen aan de grieven van appellante in hoger beroep. Dientengevolge heeft de Raad het hoger beroep van appellante onder toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet mede gericht geacht tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van 14 februari 2007.

Voorts volgt uit ’s Raads uitspraak van 4 februari 1997 (LJN: ZB6628) dat in een geval waarin volledig tegemoet wordt gekomen aan het beroep tegen een besluit, belang bij een beoordeling van dat besluit in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb. Van een dergelijk verzoek is de Raad in het onderhavige geval niet gebleken.

De Raad stelt vast dat appellante geen belang meer heeft bij een beoordeling van het geschil in hoger beroep, nu het Uwv volledig aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen. De Raad zal dan ook het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Namens appellante heeft haar gemachtigde mr. Klinkert, voornoemd, verzocht om

vergoeding van de proceskosten. De Raad overweegt dat, aangezien de rechtbank bij de aangevallen uitspraak reeds heeft beslist ten aanzien van de proceskosten die aan de zijde van betrokkene zijn gevallen in verband met de procedure in eerste aanleg, en betrokkene tegen dat onderdeel van die uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, hier slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling staan.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2007.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.

JK/050602007