Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7288

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
06-3345 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Hennepkwekerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2008, 8 met annotatie van R.J.B. Schutgens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3345 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 3 mei 2006, 05/1975 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Searle, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2007. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J. Boekel, advocaat van de gemeente Medemblik.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving met ingang van 14 augustus 1998 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Op 14 juni 2004 heeft de regiopolitie Noord-Holland Noord, district Westfriesland/Grootebroek, naar aanleiding van een melding van de woningbouw-vereniging, een onderzoek ingesteld in de woning van appellant, waarbij in de slaapkamer een hennepkwekerij is aangetroffen. In de woning van appellant waren twee plantenbakken met in totaal honderd hennepplanten aanwezig, vier assimilatielampen, vier transformatoren, een koolstof- en een luchtfilter alsmede een ventilator. Tegenover de politie heeft appellant verklaard de kwekerij ongeveer 11 weken geleden met geleend geld te hebben opgezet. Van de onderzoeksbevindingen en van het verhoor van appellant op 14 juni 2004 zijn processen-verbaal opgemaakt. Die bevindingen waren voor het College aanleiding om bij besluit van 11 april 2005 de bijstand van appellant over de periode van 29 maart 2004 tot en met 14 juni 2004 in te trekken en de over die periode ten behoeve van appellant gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.647,40 bruto van hem terug te vorderen. Bij besluit van 26 juli 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 11 april 2005 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 juli 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft de juistheid van deze uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat door de politie in de woning van appellant een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen die, gelet op de omvang daarvan, als een professionele hennepkwekerij kan worden bestempeld, en dat appellant (het opzetten van) deze kwekerij niet aan het College heeft opgegeven. Hiermee is gegeven dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Anders dan appellant heeft betoogd, is hiervan niet pas sprake vanaf het moment dat uit de hennepkwekerij inkomsten worden verworven. Naar vaste rechtspraak wordt zowel het verrichten van activiteiten gericht op het starten van een hennepkwekerij als het exploiteren daarvan aangemerkt als een omstandigheid waarvan de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kan zijn op het recht op bijstand en waarvan hij het College onverwijld mededeling moet doen, ongeacht of daaruit al inkomsten worden verworven.

Appellant heeft zijn stelling dat de hennepkwekerij nog geen inkomen had opgeleverd, niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens waaruit valt af te leiden wanneer hij daadwerkelijk met het opzetten van de kwekerij is begonnen, zoals gegevens over de datum waarop de voor het starten van de kwekerij benodigde apparatuur en planten zijn aangeschaft. De verklaring van appellant dat hij de kwekerij ongeveer 11 weken vóór 14 juni 2004 heeft opgezet, acht de Raad ontoereikend voor de conclusie dat geen sprake is geweest van in aanmerking te nemen inkomen. In dit verband overweegt de Raad dat een bedrijfsvoering gedurende 11 weken niet uitsluit dat uit de hennepteelt inkomsten worden verworven. Verder is op grond van de van NUON verkregen gegevens over het elektriciteitsverbruik in de woning van appellant aannemelijk dat de hennepkwekerij langer in bedrijf is geweest. Dat verbruik was namelijk over 12 maanden (van september 2003 tot september 2004) viermaal zo hoog als het voor een alleenstaande normaal te achten verbruik van 773 kWh in het jaar daarvoor. De Raad tekent hierbij aan dat er geen aanwijzingen zijn dat het hogere stroomverbruik aan andere oorzaken is toe te schrijven.

Gezien het voorgaande heeft het College zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over de periode van 29 maart 2004 tot en met 14 juni 2004 niet kan worden vastgesteld. Hierin ligt besloten dat appellant over die periode geen recht op bijstand had. Het College was dan ook gelet op artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om over die periode tot intrekking van de bijstand over te gaan. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College in dit geval niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om tot terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand over te gaan.

Artikel 5 van de op artikel 8a van de WWB berustende en door de raad van de gemeente Medemblik (hierna: gemeenteraad) op 16 december 2003 vastgestelde Handhavingsverordening Medemblik 2004 (hierna: Handhavingsverordening) luidt:

“1. Het college vordert de kosten van bijstand boven een nader door het College vast te stellen bedrag terug in de gevallen die in de artikelen 58 en 59 van de wet zijn aangegeven, voor zover zich daartegen geen andere wettelijke regeling verzet.

2. De kosten van bijstand onder het in het eerste lid bedoelde bedrag worden wel teruggevorderd indien de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 eerste lid van de WWB binnen een periode van 12 maanden bij herhaling niet is nagekomen.

3. Van terugvordering kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. In welke situaties er sprake kan zijn van dringende redenen wordt door het College nader vastgesteld.

(…)”

De Raad stelt vast dat aldus door de gemeenteraad in de Handhavingsverordening regels zijn gesteld met betrekking tot de uitoefening van de in de artikelen 58 en 59 van de WWB aan het College toegekende - discretionaire - bevoegdheid tot terugvordering en medeterugvordering van bijstand in de in die artikelen bedoelde gevallen. Daarmee heeft de gemeenteraad de in artikel 8a van de WWB aan hem toegekende verordenende bevoegdheid overschreden. Blijkens de tekst van deze - bij amendement ingevoegde - bepaling en blijkens de toelichting bij dat amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28 870, nr. 12, blz. 1) mag de desbetreffende verordening slechts betrekking hebben op (uitgangspunten voor) het financiële beleid en het financiële beheer bij de gemeente. Daaronder kan de inhoud van artikel 5 van de Handhavingsverordening niet worden gebracht. De Raad acht in dit verband voorts van belang dat noch de tekst noch de toelichting enig aanknopingspunt bevat om te kunnen aannemen dat de wetgever heeft beoogd de gemeenteraad de bevoegdheid te geven door middel van de in artikel 8a van de WWB bedoelde verordening te interveniëren in de bij de artikelen 58 en 59 van de WWB aan het College van burgemeester en wethouders toegekende discretionaire bevoegdheid. Het voorgaande betekent dat artikel 5 van de Handhavingsverordening verbindende kracht mist.

Gelet op het feit dat de Handhavingsverordening is vastgesteld op voorstel van het College en het College heeft aangegeven overeenkomstig artikel 5 van de Handhavingsverordening te handelen, ziet de Raad vervolgens aanleiding deze bepaling te beschouwen als de verwoording van - (nog) niet in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegd - beleid van het College, ter invulling van de in de artikelen 58 en 59 van de WWB aan het College toegekende discretionaire bevoegdheid. Het College heeft op 14 juli 2004 het “Handhavingsbeleid Wet werk en bijstand” vastgesteld. In artikel 5, onderdelen 6 en 7, welke zijn gebaseerd op het in artikel 5, derde lid, van de Handhavingsverordening neergelegde beleid, is onder meer als beleidsregel opgenomen dat als kruimelbedrag een bedrag van € 45,- kan worden aangenomen en dat van terugvordering wordt afgezien in individueel te beoordelen bijzondere en noodzakelijke gevallen.

Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid, althans voor zover het betreft de terugvordering van bijstand die het gevolg is van een herzienings- of intrekkingsbesluit op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in een situatie waarin - zoals in het geval van appellant - geen sprake is van recidive, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Daarbij heeft de Raad mede betrokken het gegeven dat de artikelen 58 en 59 van de WWB zelf geen (nadere) inhoudelijke normering van de daarbij toegekende bevoegdheden bevatten.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het College niet in overeenstemming met zijn beleid(sregels) tot - volledige - terugvordering van appellant heeft besloten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin een grond voor het oordeel dat het College, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van het beleid (geheel of gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th. C. van Sloten als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S. van Ommen.

GG230507