Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7272

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-05-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
05/6775 AW + 06/2403 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag met proeftijd wegens plichtsverzuim. Bij nader besluit voorwaardelijk ontslag gehandhaafd. Toerekenbaarheid plichtsverzuim? Schadevergoeding?

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 81
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/376
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6775 AW en 06/2403 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 oktober 2005, 04/1160 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 24 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Op 11 april 2006 heeft de minister een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.J. van Gijssel, advocaat te ’s-Gravenhage. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Burger, advocaat te ’s-Gravenhage, en mr. J.W. Schaper, werkzaam bij het ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft in haar functie van secretaresse departementsleiding bij het dienstonderdeel Bureau Secretaris-Generaal (BSG) als belangrijkste taak het vervangen van de secretaresses van de leden van de departementsleiding.

1.2. Direct na een voortgangsgesprek in augustus 2002, waarin de houding van appellante jegens haar leidinggevende en haar collega’s ter sprake is gebracht, heeft appellante zich ziek gemeld. Op 28 augustus 2002 heeft de leidinggevende van appellante telefonisch contact met haar opgenomen. Op 9 september 2002 heeft tijdens een in het kader van de verzuimbegeleiding gevoerd gesprek met de bedrijfsarts een incident plaatsgevonden. Appellante is met ingang van 11 oktober 2002 geschorst.

1.3. Appellante heeft zich verantwoord naar aanleiding van de brief van 24 juni 2003 waarin de minister haar heeft medegedeeld te overwegen haar een disciplinaire straf op te leggen. Appellante is het volgende verweten:

- het ongeoorloofd afwezig zijn op 9 augustus 2002;

- het verbreken van het telefonisch contact met haar leidinggevende op 28 augustus 2002;

- het bedreigen van de bedrijfsarts op 9 september 2002 door te dreigen een beeldscherm in zijn richting te gooien;

- het onjuist bejegenen van een koerier van het ministerie van Justitie op 21 november 2002.

1.4. Nadat appellante vervolgens bij brief van 11 september 2003 haar bedenkingen tegen het voorgenomen ontslag had ingediend, heeft de minister appellante wegens het hiervóór omschreven plichtsverzuim op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) in samenhang met het derde lid van voornoemd artikel, bij besluit van 18 september 2003 met ingang van gelijke datum de disciplinaire straf opgelegd van voorwaardelijk ontslag, met een proeftijd van twee jaar. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij besluit van 8 juli 2004 (hierna: besluit 1).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep nog van belang, het beroep van appellante gegrond verklaard en besluit 1 vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat appellante de bedrijfsarts heeft bedreigd en dat zij het telefoongesprek met haar leidinggevende heeft verbroken, hetgeen plichtsverzuim oplevert. De overige verweten gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende aannemelijk geworden. De rechtbank is voorts van oordeel dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of het plichtsverzuim appellante is toe te rekenen en heeft de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Tevens dient de minister daarbij het verzoek om schadevergoeding te beoordelen.

2.1. De minister heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij het in rubriek I genoemde besluit van 11 april 2006 opnieuw op de bezwaren van appellante beslist (hierna: besluit 2). Daarbij is - voor zover thans van belang - het voorwaardelijk ontslag opnieuw gehandhaafd.

3. De Raad oordeelt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht als volgt.

3.1. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegeven nadere besluit 2, aangezien dit besluit niet geheel aan het beroep tegemoet komt.

3.2. Appellante heeft verzocht het beroep mede gericht te achten tegen drie andere besluiten. Bij één van deze besluiten is het bezwaar tegen de weigering om toepassing te geven aan artikel 38a van het ARAR niet-ontvankelijk verklaard. Op grond van dit artikel wordt de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door een beroepsincident, op zijn aanvraag voor de toepassing van hoofdstuk VI van het ARAR gelijkgesteld met de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een beroepsincident. Het volgende besluit op bezwaar betreft het op grond van artikel 44a (thans 40a) van het ARAR vervallen verklaren van de aanspraak op bezoldiging van appellante. Bij dat besluit is tevens beslist op het bezwaar tegen een opgelegd voorwaardelijk strafontslag wegens door appellante in 2006 gepleegd plichtsverzuim. Het derde besluit betreft de tenuitvoerlegging van laatstgenoemd voorwaardelijk strafontslag. Aangezien deze besluiten niet vallen binnen de grondslag en reikwijdte van besluit 1, kan het beroep van appellante naar het oordeel van de Raad niet op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede geacht worden te zijn gericht tegen deze drie besluiten.

3.3. Met betrekking tot het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak oordeelt de Raad als volgt.

3.3.1. Over het verwijt dat appellante het telefonisch contact met haar leidinggevende op 28 augustus 2002 had verbroken zodra appellante had gehoord dat haar leidinggevende aan de lijn was, heeft de rechtbank overwogen dat daarvan op afdoende wijze blijkt uit de door de leidinggevende opgestelde telefoonnotitie en dat appellante deze gedraging blijkens het verslag van het verantwoordingsgesprek heeft erkend. Appellante heeft in hoger beroep deze gedraging niet bestreden zodat deze naar het oordeel van de Raad vol-doende vast staat. Of de door appellante aangevoerde omstandigheden haar gedrag recht-vaardigen zal de Raad beoordelen bij de vraag of de opgelegde straf niet onevenredig is.

3.3.2. Appellante is voorts van mening dat de rechtbank heeft miskend dat van een reële bedreiging van de bedrijfsarts geen sprake kon zijn aangezien het beeldscherm met kabels was bevestigd.

De Raad overweegt dat bij het gesprek op 9 september 2002 aanwezig waren appellante, haar echtgenoot, de bedrijfsarts en een mediator verbonden aan de Arbo management groep. Deze personen zijn in december 2002 door de minister gehoord over de gang van zaken tijdens dit gesprek. De bedrijfsarts heeft verklaard dat hij zich bedreigd voelde omdat appellante een beeldscherm in zijn richting dreigde te gooien. Volgens de verklaring van de mediator heeft appellante het beeldscherm gericht naar de bedrijfsarts en ging het incident voorts gepaard met veel verbaal geweld. De situatie was volgens de mediator erg bedreigend. De angst van de bedrijfsarts was volgens de mediator daarom reëel. Evenals de rechtbank acht de Raad de verklaring van de mediator doorslaggevend omdat hij als mediator niet direct betrokken was bij de verzuimbegeleiding. Naar het oordeel van de Raad is ook deze gedraging voldoende vast komen te staan.

3.3.3. Gezien het voorgaande heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad op goede gronden geoordeeld dat sprake is van plichtsverzuim.

3.3.4. Appellante heeft ter zitting aangegeven dat zij zich niet langer op het standpunt stelt dat de rechtbank met haar oordeel over de toerekenbaarheid buiten de omvang van het geding is getreden. Appellante is van mening dat een onderzoek naar de toereken-baarheid, zoals zij in bezwaar en in eerste aanleg ook heeft aangevoerd, ten onrechte achterwege is gebleven. Zij is echter tevens van mening dat dit gebrek reeds vanwege het tijdsverloop niet kan worden hersteld en dat de rechtbank daarom op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak had moeten voorzien, door niet alleen besluit 1 te vernietigen maar ook het primaire besluit te herroepen.

3.3.5. De Raad overweegt dat na de vernietiging van besluit 1 nog verschillende nieuwe beslissingen op het bezwaar mogelijk waren. De bezwaarschriftprocedure biedt immers de mogelijkheid tot herstel van zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken zoals hier aan de orde. Dat herstel in dit geval bij voorbaat was uitgesloten, is niet in te zien. Naar de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraken van 3 januari 2003, LJN AF3991 (AB 2003, 99) en van 2 augustus 2005, LJN AU0912, kan de rechtbank in een situatie waarin verschillende uitkomsten mogelijk zijn geen toepassing geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb. De rechtbank heeft toepassing van die bepaling dan ook terecht achterwege gelaten.

3.3.6. Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep geen doel en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

3.4. Met betrekking tot besluit 2 oordeelt de Raad als volgt.

3.4.1. Bij dit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nadere besluit heeft de minister de straf van voorwaardelijk ontslag gehandhaafd. Daarbij heeft de minister overwogen dat appellante, nadat zij daartoe was uitgenodigd, heeft geweigerd mee te werken aan een medisch onderzoek naar de toerekenbaarheid van het haar verweten plichtsverzuim. Volgens de minister is derhalve niet langer sprake van een onvoldoende zorgvuldige voorbereiding van het besluit. De opgelegde straf acht de minister evenredig aan het door de rechtbank vastgestelde plichtsverzuim.

3.4.2. De Raad is met de minister van oordeel dat het niet meewerken aan het bedoelde onderzoek voor rekening van appellante mag worden gelaten en dat daarom mag worden uitgegaan van toerekenbaarheid van het plichtsverzuim. De minister moet dan ook bevoegd worden geacht tot het opleggen van een disciplinaire straf.

3.4.3. Aan de orde is vervolgens de vraag of de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag niet onevenredig is te achten aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. De Raad stelt voorop dat beide verweten gedragingen hebben plaatsgevonden in het kader van verzuimbegeleiding. De stelling van appellante dat een relatie met de uitoefening van haar functie ontbreekt, treft reeds hierom geen doel. De Raad heeft voorts laten wegen dat sprake is geweest van een schofferende en agressieve bejegening die appellante als secretaresse van de departementsleiding niet past. Het betreft bovendien doorgaand gedrag waarop appellante eerder is aangesproken. In de omstandigheid dat appellante van mening is dat de bedrijfsarts en haar leidinggevende bevooroordeeld waren, wat daarvan ook zij, is geen enkele rechtvaardiging gelegen voor een optreden zoals hier aan de orde. De door appellante genoemde spanningen en het volgens haar hoogoplopende conflict met haar werkgever vormen naar het oordeel van de Raad evenmin een rechtvaardiging voor het plichtsverzuim. De Raad acht de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag dan ook niet onevenredig.

3.4.4. Bij besluit 2 heeft de minister voorts het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar afgewezen.

3.4.5. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Nu het primaire besluit bij besluit 2 niet wegens onrechtmatigheid is herroepen heeft de minister naar het oordeel van de Raad terecht beslist dat ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, de kosten van bezwaar niet voor vergoeding in aanmerking komen.

3.4.6. Aangezien gebleken is dat de disciplinaire straf in rechte kan standhouden heeft de minister voorts het verzoek om schadevergoeding naar het oordeel van de Raad terecht afgewezen.

3.4.7. Gelet op het voorgaande zal de Raad het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen besluit 2 ongegrond verklaren.

4. Appellante heeft de Raad verzocht de minister te veroordelen in de door haar geleden materiële (waaronder begrepen de kosten van rechtsbijstand) en immateriële schade. Voor toewijzing van dit verzoek, dat de Raad aanmerkt als een verzoek om toepassing te geven aan artikel 8:73, eerste lid, van de Awb, bestaat naar het oordeel van de Raad geen grond, reeds omdat het hoger beroep van appellante niet slaagt en het beroep dat geacht moet worden te zijn gericht tegen besluit 2 ongegrond zal worden verklaard.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 april 2006 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.