Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7268

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
06-3458 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indien er nieuwe stukken aan een procesdossier worden toegevoegd, staat het de rechter niet vrij om op basis van de toestemming die is gegeven uitgaande van de voordien aanwezige processtukken, de zaak buiten zitting af te doen. Nader onderzoek. Wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3458 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 mei 2006, 05/5292 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2007. Voor appellante is mr. De Wit verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante is gehuwd met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]). Het College heeft appellante met ingang van 13 oktober 2003 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder nadat zij bij haar aanvraag om bijstand had aangegeven niet meer met haar echtgenoot samen te wonen.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante met haar echtgenoot zou samenwonen, hebben twee medewerkers van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten, Afdeling Bijzonder Onderzoek, op 6 januari 2005 om omstreeks 8:45 uur een onaangekondigd huisbezoek bij appellante afgelegd. Zij hebben de woning van appellante bezichtigd en zijn daarbij in hoofdzaak te woord gestaan door een dochter van appellante, [naam dochter, geboren [in] 1987. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in een rapport van 6 januari 2005.

Bij besluit van 12 januari 2005 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2005 beëindigd (lees: ingetrokken).

Bij besluit van 30 juni 2005 heeft het College het tegen het besluit van 12 januari 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 30 juni 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding om ambtshalve te onderzoeken of de aangevallen uitspraak op een juiste wijze tot stand is gekomen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 24 februari 2005 met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst, met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb stelt het achterwege laten van een nadere zitting afhankelijk van de toestemming van partijen.

Uit het proces-verbaal van de zitting van 24 februari 2006 leidt de Raad af dat partijen ter zitting die toestemming hebben gegeven. Na de zitting zijn van de zijde van het College bij brief van 24 februari 2006 nadere inlichtingen verstrekt. Appellante heeft daarop bij schrijven van 13 maart 2006 gereageerd en een aantal stukken in het geding gebracht. De rechtbank heeft partijen niet opnieuw om toestemming gevraagd voor het achterwege laten van een zitting en de zaak evenmin op een zitting aan de orde gesteld.

De Raad is van oordeel dat vorenomschreven behandeling van het geding bij de rechtbank in strijd is met artikel 8:64 van de Awb. Zoals hij al eerder heeft kenbaar gemaakt (zie onder meer zijn uitspraak van 22 juli 2005, LJN: AU0202) is de Raad van oordeel dat, indien er nieuwe stukken aan een procesdossier worden toegevoegd, het de rechter niet vrij staat om op basis van de toestemming die is gegeven uitgaande van de voordien aanwezige processtukken, de zaak buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is in die situatie eerst mogelijk indien partijen, na kennisname van de naderhand geproduceerde stukken, te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft. De rechtbank heeft verzuimd zich van die toestemming te vergewissen.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, wegens strijd met artikel 8:64 van de Awb, niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Derhalve komt de aangevallen uitspraak op deze grond voor vernietiging in aanmerking.

Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal hij de zaak zonder terugwijzing afdoen. Hij overweegt ter zake als volgt.

Bij het op bezwaar genomen besluit van 30 juni 2005 heeft het College de intrekking van de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2005 gehandhaafd op de grond dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellante en [betrokkene] niet duurzaam gescheiden leven in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet werk en bijstand (WWB). Door daarvan geen mededeling te doen, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden, ten gevolge waarvan het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

Anders dan het College is de Raad van oordeel dat de – eventuele – schending van de inlichtingenverplichting niet tot gevolg heeft gehad dat het recht op bijstand van appellante op en na 1 januari 2005 niet kan worden vastgesteld. Indien appellante op en na genoemde datum niet duurzaam gescheiden van [betrokkene] leefde, kon zij niet als zelfstandig subject van bijstand worden aangemerkt en had zij om die reden geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Het vorenstaande betekent dat het besluit van 30 juni 2005, waarbij de intrekking van de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2005 is gehandhaafd, op een onvoldoende draagkrachtige motivering berust en wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

De vervolgens aan de orde komende vraag of er aanleiding is om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 30 juni 2005 in stand blijven, beantwoordt de Raad op grond van de volgende overwegingen ontkennend.

Een besluit tot intrekking van bijstand, zoals in dit geding aan de orde, is een belastend besluit. In die situatie rust op het College de bewijslast om aan te tonen of ten minste genoegzaam aannemelijk te maken dat appellante niet (langer) voldoet aan de voorwaarden om voor bijstandsverlening naar de voor haar geldende norm in aanmerking te komen.

Het oordeel van het College, dat appellante niet duurzaam gescheiden van [betrokkene] leefde, berust uitsluitend op de bevindingen van het eenmalige onaangekondigde huisbezoek op 6 januari 2005 en de bij die gelegenheid opgetekende verklaringen van de dochter van appellante.

Appellante en haar dochter hebben, na ontvangst van het besluit van 12 januari 2005, steeds ontkend dat het rapport van 6 januari 2005 een juiste weergave is van het door de dochter verklaarde.

[betrokkene] zelf is bij het huisbezoek niet in de woning van appellante aangetroffen. Nu het rapport van 6 januari 2005 noch de daarin opgenomen verklaringen door appellante zijn ondertekend en de opgetekende bevindingen op zich onvoldoende zijn om daaruit te kunnen concluderen dat appellante niet duurzaam gescheiden leefde van [betrokkene], moet worden vastgesteld dat de onderhavige besluitvorming van het College tot stand is gekomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust. Het College had het op zijn weg moeten zien liggen om verder onderzoek in te stellen, bijvoorbeeld door het afleggen van een huisbezoek op het adres van [betrokkene], het horen van [betrokkene], het verrichten van observaties of het instellen van een buurtonderzoek. Nu het primaire besluit van 12 januari 2005 op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust, ziet de Raad aanleiding om, zelf in de zaak voorziend, dat besluit te herroepen.

Met het voorgaande is gegeven dat appellante als gevolg van het besluit van 12 januari 2005 schade heeft geleden, bestaande in de vertraagde uitbetaling van de uitkering. Aangezien niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, rust op de gemeente ’s-Gravenhage de verplichting die schade te vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 14 november 2006, LJN AZ3290, en van 28 november 2006, LJN AZ4414, stelt de Raad de eerste dag waarop over de vanaf 1 januari 2005 niet tijdig betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente is verschuldigd, op 1 maart 2005, en wel tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het voorgaande geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 30 juni 2005;

Herroept het besluit van 12 januari 2005;

Veroordeelt de gemeente ’s-Gravenhage tot vergoeding aan appellante van de wettelijke rente zoals aangegeven in rubriek II;

Veroordeelt het College in de kosten van appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente’s-Gravenhage aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.M.A van der Kolk-Severijns en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S. van Ommen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

GG230507