Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7251

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
06-4004 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ontheffing van een verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Uitleg begrip dringende redenen. Medische belemmeringen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 232
USZ 2007/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4004 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 30 mei 2006, 05/3786 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: College

Datum uitspraak: 29 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.B.C. Maton, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 6 maart 2007. Appellant en het College zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 24 juni 2005 heeft het College geweigerd appellant een ontheffing als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (hierna: WBB) te verlenen van de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Dit besluit is gebaseerd op een sociaal-medisch advies van een verzekeringsarts, verbonden aan het bureau Wijers, Oostdijk, Schipper en Van Mook (hierna: bureau WOSM). Deze verzekeringsarts heeft appellant geschikt geacht voor fulltime passende, lichte werkzaamheden die vrijwel uitsluitend zittend worden uitgevoerd.

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 juni 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College, onder verwijzing naar artikel 17, aanhef en onder c, van de gemeentelijke Verordening Werk Wet werk en bijstand 2005 (hierna: Verordening), overwogen dat, hoewel appellant beperkingen ondervindt, hij in staat moet worden geacht deel te nemen aan een reïntegratietraject. In de visie van het College zijn er geen medische redenen die appellant beletten te voldoen aan zijn arbeidsverplichtingen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 4 oktober 2005 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het College op goede gronden besloten appellant niet te ontheffen van zijn arbeidsverplichtingen. Het College kon en mocht zijn besluit baseren op het advies van het bureau WOSM. De rechtbank is niet gebleken dat dit advies, wat de wijze van totstandkoming of de inhoud betreft, niet deugdelijk zou zijn. Voorts heeft appellant op geen enkele wijze met medische stukken of anderszins aannemelijk gemaakt dat hij volledig arbeidsongeschikt is.

In hoger beroep heeft appellant herhaald zijn stelling dat hij als volledig arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt. Daarbij heeft hij gewezen op een besluit van Gak Nederland B.V. van 26 september 2000, waarbij is vastgesteld dat hij arbeidsgehandicapte is in de zin van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten. Voorts heeft appellant aangevoerd dat artikel 17, aanhef en onder c, van de Verordening ook in zijn situatie moet worden toegepast, nu ook om andere redenen een realistisch perspectief op arbeidsinschakeling ontbreekt.

De Raad overweegt allereerst dat hij artikel 17, aanhef en onder c, van de Verordening aldus begrijpt, dat daarin wordt voorzien in het verlenen van vrijstelling van in de Verordening vervatte (aanvullende) verplichtingen, aan personen die op grond van objectiveerbare medische (psychische, fysieke) omstandigheden niet in staat zijn om deel te nemen aan een reïntegratietraject en/of bij wie op basis van die omstandigheden arbeidsinschakeling geen realistisch perspectief is. De Raad gaat er voorts van uit, dat het College (ook) bij de beoordeling of er dringende redenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de WWB aanwezig zijn in gevallen waarin een beroep wordt gedaan op medische omstandigheden, dit criterium als maatstaf hanteert. Naar het oordeel van de Raad geeft het College hiermee niet te beperkte uitleg aan het wettelijke begrip dringende redenen, vervat in artikel 9, tweede lid van de WWB, te minder nu blijkens de wetsgeschiedenis medische belemmeringen als zodanig geen grond zijn voor een ontheffing. Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat, gelet op het advies van het bureau WOSM, er in het geval van appellant geen objectiveerbare medische omstandigheden zijn waardoor hij niet in staat is deel te nemen aan een reïntegratietraject, dan wel op grond waarvan moet worden aangenomen dat arbeidsinschakeling geen realistisch perspectief is. Anders dan appellant heeft betoogd valt ook uit het door hem genoemde besluit van Gak Nederland B.V. niet af te leiden dat appellant volledig arbeidsongeschikt is. In zoverre behoefde het College dan ook geen dringende redenen aanwezig te achten. In de door appellant gestelde omstandigheid dat, gelet op zijn leeftijd en achtergrond, er geen realistisch perspectief is op arbeidsinschakeling, zijn evenmin dringende als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de WWB gelegen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en G. van der Wiel en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2007.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) P.C. de Wit.

JK/31052007