Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7247

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
06/3456 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om kwijtschelding eigen bijdrage thuiszorg. Geen wettelijke grondslag voor administratiekosten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4, geldigheid: 2007-05-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2007/152

Uitspraak

06/3456 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 8 juni 2006, 05/1071 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

Groene Land PWZ Achmea Zorgverzekeringen N.V., als rechtsopvolgster van de onderlinge waarborgmaatschappij Groene Land PWZ zorgverzekeraar U.A., gevestigd te Rotterdam, (hierna: Groene Land)

Datum uitspraak: 9 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.[naam], hoger beroep ingesteld.

Groene Land heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2007. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Groene Land heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Kreeft, werkzaam bij Groene Land.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij brief van 11 juni 2004 heeft het Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Zorgkosten B.V. (hierna: CAK) appellante een factuur van 4 augustus 2003, ten bedrage van € 1.716,80, toegezonden. Deze factuur betreft de eigen bijdrage voor thuiszorg over de periode van 25 december 2000 tot en met 23 december 2001. Het CAK heeft aangegeven de factuur opnieuw te hebben verzonden omdat een eerdere aanmaning voor deze factuur retour is ontvangen. De meest recente adresgegevens van appellante waren bij het CAK niet bekend.

Op 9 september 2004 heeft appellante het CAK verzocht toepassing te geven aan de

door de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: staatssecretaris) vastgestelde kwijtscheldingsregeling eigen bijdrage thuiszorg. Het CAK heeft dit verzoek bij brief van 14 september 2004 afgewezen. Tevens is daarbij verzocht het openstaande factuurbedrag van € 1.722,45 te voldoen.

Bij besluit van 3 juni 2005 heeft Groene Land het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat de verhoging van de factuur tot € 1.722,45 het gevolg is van het in rekening brengen van € 5,65 aan administratiekosten.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 3 juni 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) luidde ten tijde van belang als volgt:

“3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan als voorwaarde voor het verkrijgen van een verstrekking worden gesteld dat de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan: de bijdrage kan verschillen naar gelang de groep waartoe de verzekerde behoort en de zorg en voorzieningen die verstrekt wordt en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen van de verzekerde en diens echtgenoot.(…)”.

Aan deze bepaling is uitvoering gegeven door middel van de vaststelling van het Bijdragebesluit zorg.

De Raad stelt op grond van de beschikbare gegevens vast dat ervan moet worden uitgegaan dat aan appellante bij de brief van 11 juni 2004 is kennisgegeven van het besluit om haar over de periode van 25 december 2000 tot en met 23 december 2001 een eigen bijdrage op te leggen van € 1.716,80. Op grond van die gegevens moet tevens worden uitgegaan van de juistheid van de hoogte van die bijdrage.

De staatssecretaris heeft bij brief van 3 mei 2004 aan de Tweede Kamer medegedeeld dat - vanwege opgetreden vertragingen bij de inning van eigen bijdragen thuiszorg - is besloten de eigen bijdragen zorg zonder verblijf (voorheen thuiszorg) kwijt te schelden aan cliënten wier gegevens niet binnen één jaar na aanlevering door de thuiszorginstelling bij het CAK in de gemeentelijke basisadministratie konden worden geverifieerd (Tweede Kamer, 2003-2004, 26 631, nr. 92). Bij brief aan de Tweede Kamer van 18 augustus 2004 heeft de staatssecretaris aangegeven dat het in de brief van 3 mei 2004 ingenomen standpunt wordt genuanceerd in die zin dat het moet gaan om cliënten die in de jaren 1999 tot en met 2001 thuiszorg hebben ontvangen en aan wie tot op heden geen eigen bijdrage kon worden opgelegd. Daarbij is ook aangegeven dat het om een eenmalige actie gaat (Tweede Kamer, 2003-2004, 26 631, nr. 102).

Groene Land stelt zich op het standpunt dat appellante niet onder het bereik van de kwijtscheldingsregeling valt omdat zij niet aan de voorwaarden voldoet.

Appellante stelt zich op het standpunt dat de kwijtscheldingsregeling tot willekeur en strijd met het gelijkheidsbeginsel leidt. Ook in haar geval is sprake van een zeer grote vertraging bij het opleggen van de eigen bijdrage.

De Raad is van oordeel dat in het bepaalde bij en krachtens de AWBZ geen wettelijke grondslag wordt gevonden voor het kwijtschelden van inkomensafhankelijke eigen bijdragen als de onderhavige. Hiermee is gegeven dat de in de brieven van de staatssecretaris van 3 mei 2004 en 18 augustus 2004 vastgestelde kwijtscheldingsregeling moet worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Dit beleid is door Groene Land overgenomen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de bestuursrechter het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden en blijft de rechterlijke toetsing als gevolg daarvan beperkt tot de vraag of het beleid consistent wordt toegepast.

Dit betekent dat er geen ruimte is voor beoordeling van het standpunt van appellante dat het beleid tot willekeur en strijd met het gelijkheidsbeginsel leidt. Niet in geschil is dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van het beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om de kwijtscheldingsregeling (niettemin) ook op haar toe te passen. Hieruit volgt dat de in het besluit van 3 juni 2005 gehandhaafde weigering van de kwijtschelding van de opgelegde eigen bijdrage van

€ 1.716,80 in stand blijft.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot in rekening gebrachte administratiekosten ten bedrage van € 5,65 treft wel doel. De Raad stelt vast dat de verschuldigde eigen bijdrage van € 1.716,80 eerst in het, op het kwijtscheldingsverzoek van 9 september 2004 betrekking hebbende, primaire besluit van 14 september 2004

- kennelijk ten titel van de AWBZ - met administratiekosten is verhoogd en voorts dat deze verhoging in het besluit op bezwaar van 3 juni 2005 is gehandhaafd. Nu echter voor het in rekening brengen van administratiekosten in het bepaalde bij en krachtens de AWBZ geen wettelijke grondslag wordt gevonden, kan het besluit van 3 juni 2005 in zoverre wegens strijd met de wet niet in stand blijven.

Uit hetgeen de Raad heeft overwogen vloeit voort dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond dient te worden verklaard en het besluit van

3 juni 2005 dient te worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het in rekening brengen van administratiekosten. De Raad zal vervolgens zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit van 14 september 2004 in zoverre herroepen.

In de omstandigheden van het geval ziet de Raad aanleiding om een veroordeling van Groene Land in de proceskosten van appellante achterwege te laten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 3 juni 2005 voor zover dat betrekking heeft op het in rekening brengen van administratiekosten;

Bepaalt dat Groene Land aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van Male

en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2007.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink