Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7209

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
05/1641 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1641 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 januari 2005, 04-1125 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2007. Appellante is verschenen bij mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar de tussen partijen gegeven uitspraak van de Raad van 6 januari 2004, geregistreerd onder nr. 01/3620 WAO, en naar rubriek 2 van de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met de vermelding dat bij het ter uitvoering van voormelde uitspraak van de Raad genomen besluit op bezwaar van 5 mei 2004 (hierna: bestreden besluit) aan appellante met ingang van 5 oktober 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Tussen partijen is in geschil de vraag of het Uwv met indeling van appellante per 5 oktober 1999 in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25% de mate van haar arbeidsongeschiktheid heeft onderschat.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten, omdat er geen grond bestaat voor het oordeel dat de aan dit besluit ten grondslag liggende rapportages van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundige niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Evenmin heeft de rechtbank concrete aanknopingspunten aanwezig geacht voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van deze rapportages.

In hoger beroep heeft appellante, onder uiteenzetting van haar medische voorgeschiedenis, doen aanvoeren dat zij per 5 oktober 1999 niet in staat was om haar eigen werk van opbouwwerkster te hervatten dan wel andersoortige door de arbeidsdeskundige voor haar geselecteerde werkzaamheden te verrichten. Om die reden acht appellante zich volledig arbeidsongeschikt, althans meer dan 25% arbeidsongeschikt.

Haar standpunt dat haar medische klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen zijn onderschat heeft appellante niet met nieuwe medische gegevens onderbouwd. Aan het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende rapport van 3 februari 2004 valt te ontlenen dat de bezwaarverzekeringsarts T.E. Greven alle tot dat tijdstip bekende medische gegevens heeft herbeoordeeld met het oog op de gezondheidstoestand van appellante per 5 oktober 1999 en haar beperkingen tot het verrichten van arbeid. In dit rapport is gemotiveerd aangegeven waarom de medische situatie op die datum, vergeleken met de oorspronkelijke beoordelingsdatum van 5 augustus 1999, niet in negatieve zin is gewijzigd. Gelet hierop is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust.

Met betrekking tot de van de zijde van appellante tegen de arbeidskundige grondslag aangevoerde grieven verwijst de Raad naar hetgeen het Uwv daaromtrent bij verweerschrift, met juistheid, heeft aangevoerd. Ter zitting heeft appellantes gemachtigde erkent niet te kunnen aangeven waarom het door de arbeidsdeskundige berekende arbeidsongeschiktheidspercentage van 24,6% onjuist zou zijn. De enkele omstandigheid dat dit percentage dicht bij de grens van een volgende arbeidsongeschiktheidsklasse is gelegen is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid ervan. Te minder reden ziet de Raad hiervoor, nu met betrekking tot de hoogte van het zogeheten maatmaninkomen ten tijde in geding bij de voormalige werkgever van appellante door de arbeidsdeskundige nog navraag is gedaan.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.R.H. van Roekel.

PR/200307