Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7141

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
06/2058 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Woonadres.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2058 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 februari 2006, 05/434 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en een nader besluit aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2007. Namens appellante is verschenen mr. Van Asperen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok, werkzaam bij de gemeente Hoogezand- Sappemeer.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving in de periode van 18 juli 2002 tot en met 30 juni 2003 ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) bijzondere bijstand voor woonkosten, kosten van een bril en kosten van rechtshulp.

Naar aanleiding van het bij het College gerezen vermoeden dat appellante niet woonachtig was op het bij het College bekende adres, heeft de Afdeling Sociale Zaken van de gemeente Hoogezand-Sappemeer onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn inlichtingen ingewonnen bij leveranciers van energie en water en is appellante verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 maart 2004.

Op basis daarvan heeft het College geconcludeerd dat appellante in de hierboven genoemde periode niet woonachtig is geweest op het bij het College bekende adres in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, dat appellante daarvan geen mededeling aan het College heeft gedaan en dat als gevolg daarvan haar recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld. Op die gronden heeft het College bij besluit van 16 maart 2004 de bijstand van appellante over de periode van 18 juli 2002 tot en met 30 juni 2003 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw ingetrokken en de kosten van de over die periode verleende bijstand met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 2.005,76. Tevens heeft het College bij dit besluit bepaald dat appellante dit bedrag binnen 30 dagen ineens diende te voldoen.

Als gevolg van een verhuizing van appellante naar Oude Pekela, is de bijstand van appellante met ingang van 13 augustus 2004 beëindigd. Bij brief van 26 augustus 2004 heeft het College appellante bericht dat zij met ingang van 1 september 2004 maandelijks een bedrag van € 56,19 dient over te maken ter aflossing van de schuld aan de gemeente uit hoofde van het hiervoor genoemde terugvorderingsbesluit.

Bij besluit van 16 november 2004 heeft het College aan appellante een boete van € 209,-- opgelegd.

Bij brief van 3 december 2004 heeft het College appellante bericht dat het debiteurenbeleid per 1 oktober 2004 is gewijzigd, dat het openstaande saldo van de schuld van appellante aan de gemeente € 1.329,51 bedraagt en dat dit bedrag ineens dient te worden voldaan.

Bij besluit van 1 april 2005 heeft het College de tegen de besluiten van 16 maart 2004, 16 november 2004 en 3 december 2004 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft - met bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten - :

- het tegen het besluit van 1 april 2005 ingestelde beroep gegrond verklaar voor zover dat ziet op de brief van 3 december 2004 (op de grond dat die brief niet is gericht op rechtsgevolg), het besluit van 1 april 2005 in zoverre vernietigd omdat het College het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren, en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

- het besluit van 1 april 2005 vernietigd voor zover dat ziet op de boete en het College opgedragen in zoverre een nieuwe beslissing te nemen op bezwaar;

- het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De boete

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College op 2 mei 2006 een nieuw besluit op bezwaar ten aanzien van de boete genomen. Daarbij is de boete omgezet in een verlaging van de bijstand, en is tegelijkertijd geconstateerd dat de verlaging niet kan worden geëffectueerd. Nadat de vertegenwoordigster van het College dit besluit ter zitting van de Raad nader had toegelicht, is van de kant van appellante meegedeeld dat het hoger beroep zich niet langer richt tegen de boete. De Raad zal de boete verder buiten bespreking laten.

De intrekking en de terugvordering

De rechtbank heeft terecht geconstateerd dat voor de beoordeling van het (materiële) recht op bijstand over de in geding zijnde periode de Abw van toepassing is, alsmede dat het College vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54 en 58 van de Wet werk en bijstand (WWB) de bevoegdheid ontleent tot intrekking en terugvordering van bijstand. De rechtbank heeft aan die constatering echter ten onrechte niet de conclusie verbonden van vernietiging van het besluit van 1 april 2005 op deze onderdelen. Bij dit besluit is immers het besluit van 16 maart 2004 gehandhaafd, welk besluit wat betreft de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering geheel is gebaseerd op de Abw. Het besluit van 1 april 2005 berust in zoverre derhalve op een onjuiste wettelijke grondslag.

Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 1 april 2005 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met de wet vernietigen voor zover het betreft de intrekking en de terugvordering.

De Raad ziet aanleiding, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 1 april 2005 in stand te laten, en overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Abw bestaat recht op bijstand jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand woont moet worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke omstandigheden. Dat appellante tijdens de in geding zijnde periode nog stond ingeschreven in het GBA van de gemeente Hoogezand-Sappemeer is derhalve niet bepalend.

De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het College dat appellante niet woonachtig was op het bij het College bekende adres [adres]. Daarbij neemt de Raad in de eerste plaats in aanmerking hetgeen appellante zelf tegenover de sociale recherche heeft verklaard over haar woonsituatie, waaruit moet worden afgeleid dat appellante het merendeel van de tijd verbleef bij haar moeder in Oude Pekela. Voorts is in dit verband van belang dat de zoon van appellante gedurende de in geding zijnde periode in Oude Pekela naar school ging. Verder moet uit de gegevens betreffende het verbruik van energie en water in de woning van appellante in Hoogezand in die periode worden geconcludeerd dat appellante daar feitelijk niet heeft gewoond. Met name het extreem lage verbruik van water maakt deze bewoning zonder meer onaannemelijk.

Niet in geschil is dat appellante gedurende de in geding zijnde periode geen ander woonadres heeft gehad in de gemeente Hoogezand-Sappemeer. Het voorgaande brengt mee dat appellante in de in geding zijnde periode geen recht op bijstand had jegens burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer.

Appellante heeft weliswaar aan het College gemeld dat haar zoon in Oude Pekela naar school ging, maar zij heeft niet meegedeeld dat zij haar woonplaats feitelijk niet meer in de gemeente Hoogezand-Sappemeer had. Daarmee heeft appellante de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Die schending heeft tot gevolg gehad dat aan haar over de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand is verleend.

Het College was dan ook ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om tot intrekking van de aan appellante van 18 juli 2002 tot en met 30 juni 2003 verleende bijstand over te gaan. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

Daarmee is gegeven dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tot terugvordering van de in de zojuist genoemd periode gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Het College heeft met betrekking tot terugvordering van bijstand beleidsregels opgesteld. De hier van belang zijnde beleidsregels zijn in de aangevallen uitspraak weergegeven. Naar het oordeel van de Raad gaan deze beleidsregels een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De onderhavige terugvordering is in overeenstemming met die beleidsregels. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd omtrent haar persoonlijke omstandigheden geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van de beleidsregels had behoren af te wijken.

De aflossingsverplichting

Ter zitting van de Raad is gebleken dat met appellante na de verzending van het terugvorderingsbesluit van 16 maart 2004, waarin tevens over de invordering is beslist (terugbetaling ineens binnen 30 dagen), een terugbetalingsregeling is getroffen. Bij de beëindiging van de bijstand aan appellante is het maandelijks door haar af te lossen bedrag (opnieuw) aan haar meegedeeld, zo blijkt uit de brief van het College van 26 augustus 2004.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brief van het College van 3 december 2004 wel is gericht op rechtsgevolg. De rechtbank heeft overwogen dat deze brief niet meer inhoudt - naast de mededeling van wijziging van het debiteurenbeleid - dan de mededeling dat een eerder vastgesteld aflossingsbedrag doorloopt. De Raad volgt de rechtbank daarin niet. Met deze brief wordt immers het door appellante te betalen bedrag aan aflossing (wederom) gewijzigd in die zin dat zij het openstaande bedrag ineens moet betalen, en wordt aangegeven op welke wijze dat bedrag bij niet betaling zal worden ingevorderd. De Raad merkt de brief van 3 december 2004 dan ook aan als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het bezwaar van appellante tegen de inhoud van deze brief niet-ontvankelijk diende te worden verklaard.

Ook op dit onderdeel komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

De Raad is vervolgens van oordeel dat het College het bezwaar tegen het besluit van 3 december 2004 ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Dit besluit berust blijkens de bewoordingen ervan enkel op de grond dat het debiteurenbeleid per 1 oktober 2004 is gewijzigd. Niet is gebleken dat het College onderzoek heeft verricht naar de vraag of appellante in staat was tot betaling van een hoger bedrag dan het bedrag dat haar bij brief van 26 augustus 2004 was meegedeeld. Verder stelt de Raad vast dat het besluit van 1 april 2005 op dit punt in het geheel niet is gemotiveerd.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 1 april 2005 op dit onderdeel vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 december 2004, met inachtneming van deze uitspraak.

De proceskosten

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

Bij het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 december 2004 zal het College tevens een beslissing dienen te nemen op het verzoek van appellante om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover deze ziet op de boete, het griffierecht en de proceskosten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 april 2005 gegrond;

Vernietigt het besluit van 1 april 2005 voor zover het betreft de intrekking, de terugvordering en de aflossingsverplichting;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 1 april 2005 in stand blijven voor zover het betrekking heeft op de intrekking en de terugvordering;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 december 2004 terzake van de aflossingsverplichting;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter, en C. van Viegen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M. Pijper.