Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7139

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
04-4727 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Aanvullend onderzoek zorgvuldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4727 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 juni 2004, 04/3 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich met kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

De Raad heeft de stukken uit een eerdere beroepszaak tussen partijen, bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 01/1688, ad informandum aan het dossier in dit geding toegevoegd.

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en naar de daaraan gehechte uitspraak van de rechtbank van 26 september 2002 in het geding met registratienummer 01/1688. De Raad volstaat thans met het volgende.

Op grond van de stukken in het dossier neemt de Raad als vaststaand aan dat appellant tot en met 11 april 1997 als monteur/lasser werkzaam was in dienst van Randstad Projecten b.v., dat hij op 12 april 1997 naar Joegoslavië is vertrokken, dat zijn adres in Joegoslavië niet bekend was bij de werkgever noch bij het Uwv, dat hij zich per 17 april 1997 vanuit Joegoslavië heeft ziek gemeld bij Randstad Uitzendbureau b.v. en bij het Uwv en dat het arbeidscontract in verband met de afwezigheid van appellant is beëindigd vóór de ziekmelding.

Bij besluit van 13 juli 2000 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat hij op en na 17 april 1997 niet wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid en dat hij daarom met ingang van die datum geen recht had op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 17 juli 2001 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 26 september 2002 het beroep van appellant tegen laatstgenoemd besluit wegens strijd met het in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel gegrond verklaard en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen. Partijen hebben in die uitspraak berust.

Na de uitspraak van 26 september 2002 heeft het Uwv appellant in de gelegenheid gesteld namen te noemen van artsen in Joegoslavië bij wie het Uwv informatie zou kunnen verkrijgen over zijn gezondheidstoestand per 17 april 1997. Daarop heeft de bezwaarverzekeringsarts de artsen dr. Andjelka Ilic, neuropsychiater, dr. Milosavljevic, psychiater, en dr. V. Radjenovic, neurochirurg, alsmede het psychiatrisch ziekenhuis in Gornja Toponica aangeschreven. Ook werden inlichtingen opgevraagd bij de behandelend chirurg en neuroloog van het Universitair Medisch Centrum (UMC) te Utrecht. Dr. Ilic heeft op 15 april 2003 geantwoord dat appellant op 27 augustus 1998 voor een diagnostisch ENMG-onderzoek in de kliniek was geweest en dat op dat moment geen verdere gegevens beschikbaar waren. Op 18 juli 2003 berichtte dr. Ilic dat appellant in de loop van het jaar 1997 ambulant werd onderzocht door de neuroloog dr. A. Ilic, dat toen een EMNG was gemaakt en dat uit het dossier alleen bleek dat appellant was doorverwezen met de diagnose “lumboischialgia lat.dex.”. De beide andere artsen hebben niet geantwoord. Het psychiatrisch ziekenhuis berichtte dat appellant in 1997/1998 niet aldaar was behandeld. Het UMC antwoordde dat appellant daar in 1996 en 1999 was behandeld in verband met kuitklachten en in 1992 en 1999 met klachten van het rechterbeen, uitstralend naar de rug.

Op grond van deze gegevens alsmede van de stukken in het dossier kwam de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie dat niet is gebleken dat appellant tijdens zijn verblijf in Joegoslavië is behandeld in verband met een psychiatrische stoornis. De bezwaarverzekeringsarts zag zijn twijfels bevestigd over de door appellant eerder overgelegde medische rapporten van juli, november en december 1997 en 1998, waaruit zou moeten blijken dat appellant lijdende was geweest aan een psychiatrische stoornis. Voorts constateerde de bezwaarverzekeringsarts dat uit de stukken niet duidelijk was geworden of appellant de neuroloog Ilic al in 1997 of pas in 1998 had geconsulteerd. Gelet op een brief van dr. Radjenovic in het dossier waaruit blijkt dat appellant hem in september 1998 heeft geconsulteerd, achtte de bezwaarverzekeringsarts het aannemelijk dat appellant pas in 1998 de neuroloog Ilic consulteerde wegens rugklachten. Voorts overwoog de bezwaarverzekeringsarts dat appellant al veel langer klaagde over rugklachten en dat deze hem niet hadden belet zijn werk te doen via een uitzendbureau. De conclusie luidde dat appellant de ongeschiktheid voor zijn arbeid per datum in geding niet aannemelijk had gemaakt. Daarop heeft het Uwv bij besluit van 13 januari 2004 (hierna: bestreden besluit) het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 juli 2000 opnieuw ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft, voorzover hier van belang, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat het door het Uwv verrichte aanvullende onderzoek voldoende zorgvuldig was uitgevoerd en dat de bezwaarverzekeringsarts zijn standpunt dat op de datum in geding geen sprake was van arbeidsongeschiktheid voldoende had onderbouwd. De rechtbank kwam tot de slotsom dat niet aannemelijk was geworden dat appellant op de datum in geding, 17 april 1997, ongeschikt was voor zijn werk als lasser.

Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad dat de stukken die appellant heeft overgelegd en zijn betoog ter zitting van de Raad de Raad er niet van hebben kunnen overtuigen dat het Uwv hem ten onrechte met ingang van 17 april 1997 ziekengeld heeft geweigerd. De Raad kan, met de bezwaarverzekeringsarts, aan de door appellant overgelegde verklaringen uit Joegoslavië van 15 juli 1997 en daarna betreffende psychische klachten van appellant niet de door hem gewenste waarde toekennen, nu daaruit niet blijkt door welke arts deze verklaringen zijn opgesteld, zodat deze niet verifieerbaar zijn. Daar komt bij dat de eerste verklaring pas dateert van geruime tijd na de datum in geding. Wat betreft de lichamelijke klachten, acht de Raad het gelet op de brief van dr. Ilic van 18 juli 2003, in samenhang bezien met de rapportages van de ANWB, niet onaannemelijk dat appellant in 1997 bij de neurochirurg Radjenovic onder behandeling is geweest voor rugklachten. De verklaring van 25 april 1997 wijst daar ook op. Noch uit die verklaring, voorzover daarvan een vertaling is overgelegd, noch uit de informatie van dr. Ilic noch uit de verklaring van dr. Radjenovic van

3 september 1998 komt echter naar voren dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte heeft overwogen dat niet is aangetoond dat de rugklachten, die appellant al langere tijd had en waarmee hij zijn werk kon verrichten, per 17 april 1997 zodanig waren verergerd dat sprake was van ongeschiktheid voor dat werk.

Wat betreft de stelling van appellant dat hij zich aan alle voorschriften heeft gehouden, merkt de Raad op dat de werkgever dan wel het Uwv niet in staat waren zijn ziekmelding te verifiëren doordat appellant hen niet op de hoogte heeft gesteld van zijn adres in Joegoslavië. De consequenties daarvan komen voor zijn rekening en risico.

Met betrekking tot de overige grieven van appellant overweegt de Raad dat appellant ter zitting van de Raad heeft bevestigd dat hij terzake van zijn op 17 april 1997 ingetreden arbeidsongeschiktheid geen aanvraag om ziekengeld bij het daarvoor aangewezen orgaan in Joegoslavië heeft ingediend, en dat hij zich slechts voor vergoeding van ziektekosten tot een Joegoslavische instantie heeft gewend. Voorts komt aan de beslissing van de Staatssecretaris van Justitie van 6 oktober 1999 over de vergunning tot vestiging in het kader van dit geding geen betekenis toe.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) J.J. Janssen.