Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7138

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
04-3273 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene moet tijde in geding ongeschikt worden geacht voor elk van de functies, zodat hem ten onrechte geen ziekengeld is toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3273 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 mei 2004, 2003/1311 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 6 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. D.S.G. Lie, advocaat te Heerlen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2007.

Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door F.G.E. Houtbeckers. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.W.M. Hendriks, advocaat te Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene, die in het verleden werkzaam is geweest als operator bij [werkgever] te [vestigingsplaats], heeft tot 18 februari 2003 in verband met psychische klachten een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling is deze uitkering bij besluit van 19 december 2002 met ingang van 18 februari 2003 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Betrokkene heeft zich op 10 juni 2003 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet wegens klachten van overspannenheid ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan is betrokkene op 24 juni 2003 op het spreekuur geweest van de verzekeringsarts F.H.M.M. Simonis, die medisch gezien de situatie niet veranderd achtte ten opzichte van de WAO-beoordeling van oktober 2002 en betrokkene onverkort geschikt achtte voor de in het kader van de WAO geselecteerde functies.

Bij besluit van 25 juni 2003 is dienovereenkomstig vastgesteld dat betrokkene met ingang 10 juni 2003 geen recht had op uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

In de bezwaarfase is betrokkene gezien door bezwaarverzekeringsarts P. Kerbusch, die mede op grond van informatie van betrokkenes huisarts de conclusie van de verzekeringsarts onderschreef.

Bij besluit van 7 augustus 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit – met beslissingen over proceskosten en griffierecht – vernietigd. Bij de vorming van dit oordeel heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan het door psychiater dr. K R.J. Schruers, als deskundige in samenwerking met drs. P.A.E. Domen – onder supervisie van prof. dr. M. Richartz, psychiater bij de Universiteit Maastricht – op 3 maart 2004 uitgebrachte rapport.

Een op voormeld rapport geleverd commentaar van voornoemde bezwaarverzekeringsarts heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en heeft terzake het volgende overwogen.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen dient terzake van het ziektegeval van 10 juni 2003 als maatstaf te worden aangelegd de arbeid verbonden aan de functies die voor betrokkene in het kader van de WAO als geschikt konden worden aangemerkt, en wel elk van deze functies afzonderlijk.

Voornoemde deskundige heeft na onderzoek van betrokkene en na overleg met diens huisarts in zijn rapport vastgesteld dat betrokkene na de plotselinge dood door suïcide van zijn stiefvader in juni 2003 waarschijnlijk depressief gedecompenseerd is en dat er toen bij betrokkene sprake was van een depressieve episode waardoor hij (tijdelijk) niet in staat kon worden geacht om de hem in oktober 2002 voorgehouden werkzaamheden te verrichten. In een commentaar van 13 mei 2004 achtte voornoemde bezwaarverzekeringsarts de door de deskundige getrokken conclusie niet onderbouwd, omdat uit het bestaan van klachten zonder meer zou zijn geconcludeerd tot het bestaan van arbeidsongeschiktheid. De deskundige zou ten onrechte zijn uitgegaan van de belastbaarheid zoals destijds neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst in plaats van de geduide functies, terwijl ook de bij betrokkene aangenomen cluster B persoonlijkheidsstructuur het bestaan van een depressie zeer onwaarschijnlijk zou maken. Ook zou de deskundige zijn bevindingen ten tijde van het onderzoek te gemakkelijk hebben vertaald naar de situatie van 10 juni 2003. In reactie op dit commentaar heeft voornoemde deskundige desgevraagd uiteengezet dat in het rapport van 3 maart 2004 zorgvuldig onderscheid wordt gemaakt tussen wat kon worden vastgesteld ten tijde van het onderzoek en wat retrospectief waarschijnlijk was over de toestand in juni 2003. De deskundige heeft er daarbij nogmaals op gewezen dat betrokkene een man is met een belaste voorgeschiedenis (affectieve verwaarlozing) en een belaste familiegeschiedenis (stemmingsstoornissen en meerdere suïcides). Betrokkene was herstellende van de schok veroorzaakt door suïcide van zijn moeder toen zijn stiefvader (die altijd zijn voornaamste vertrouwenspersoon was geweest) eveneens, volstrekt onverwacht, suïcide pleegde. De reactie op deze gebeurtenissen was, volgens de beschikbare gegevens, in depressieve zin. Conform de structuur van de persoonlijkheid, gekenmerkt door antisociale trekken, stonden gevoelens van woede en frustratie op de voorgrond. De deskundige wijst er daarbij verder op dat het vaststellen van een depressie in deze situatie niet eenvoudig is, dat het dan ook niet verwonderlijk is dat deze diagnose destijds formeel niet is gesteld, maar dat toen ook geen psychiatrisch onderzoek is verricht. In een nader commentaar heeft de deskundige desgevraagd nog aangegeven welke beperkingen naar zijn mening ten aanzien van betrokkene gesteld dienen te worden. Het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij, dat betrokkenes huisarts in augustus 2003 en ook een psycholoog van de GGD Oostelijk Zuid-Limburg in oktober 2003 niet de diagnose depressie hebben gesteld, heeft de deskundige niet tot een andere mening gebracht. In een brief van 5 oktober 2006 heeft de deskundige uiteengezet welke elementen moeten worden gewogen:

- “de persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene: in het algemeen verhoogt deze de kans op een depressie sterk (Kender et al 2006, Archives of General Psychiatry). Anderzijds wordt het herkennen van een depressie temidden van andere klachten vaak moeilijker voor een niet-psychiater - de psychosociale stressoren: deze verhogen de kans op een depressie aanzienlijk (Solomon et al 2004, Comprehensive Psychiatry). Dergelijke stressoren waren in overvloed aanwezig, zodanig zelfs dat deze bij de meeste mensen met een volstrekt normale persoonlijkheidsontwikkeling aanleiding zouden geven tot een depressie

- de anamnese van patiënt betreffende de klachten in de periode van juni 2003: deze passen bij een diagnose depressie in engere zin met vitale kenmerken.”

Op grond hiervan kan volgens de deskundige samengevat gesteld worden dat een retrospectieve diagnose van depressie niet alleen plausibel maar zelfs hoogstwaarschijnlijk is. Aanvullend heeft de deskundige nog opgemerkt dat de door hem beschreven beperkingen te maken hebben met het beperken van de zintuiglijke belasting en met de vertraagde motoriek die kenmerkend is voor depressieve mensen.

Gezien het vorenstaande kan de Raad niet anders dan vaststellen dat de deskundige zijn standpunt, in reactie op het commentaar van de zijde van het Uwv, een en ander maal heeft heroverwogen en dit mede onder verwijzing naar psychiatrische vakliteratuur heeft gehandhaafd. De Raad ziet gelet hierop in het uiteindelijke commentaar van bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij, onder meer inhoudende dat “in verzekeringsgeneeskundige zin” onvoldoende sprake zou zijn van depressieve klachten op de datum in geding, geen reden om de conclusie van de deskundige niet te volgen. Die conclusie leidt tot het oordeel dat betrokkene ten tijde in geding ongeschikt moest worden geacht voor elk van meerbedoelde functies, zodat hem ten onrechte met ingang van 10 juni 2003 geen ziekengeld is toegekend.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 36,10 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 680,10.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 680,10, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Gunter.