Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7136

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
05-363 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Motiveringsgebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/363 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 december 2004, 04/2159 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heef mr. M. Koot, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft bij schrijven van 12 april 2005 en 30 januari 2007 nadere toelichtingen ingestuurd, waarvoor in beide brieven verwezen is naar een bijgevoegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2007. Appellant heeft zich bij die gelegenheid laten vertegenwoordigen door mr. Koot, voornoemd, en zijn zoon [naam zoon]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, die op 18 september 1997 ten gevolge van rug- en beenklachten is uitgevallen voor zijn werkzaamheden als medewerker tomatenkwekerij, is met ingang van 17 september 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellant is in het kader van de vijfdejaarsherbeoordeling op 20 juni 2003 onderzocht door verzekeringsarts N.L. van Luntesburg. De verzekeringsarts concludeerde blijkens zijn rapportage van gelijkluidende datum dat appellant ten gevolge van Lumbago met ischialgie door Recessus stenose L4-5 en astma beperkt is in zijn functionele mogelijkheden. Appellant is in verband met voornoemde aandoeningen (onder meer) aangewezen op rugsparende werkzaamheden waarbij sprake is van afwisseling in zitten, staan, lopen, zwaar tillen en dragen. In de op 20 juni 2003 gedateerde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is door Van Luntesburg dienaangaande bij aspect 5.9.1 (afwisseling van houding) opgemerkt: “zitten staan lopen afwisselen”.

De arbeidsdeskundige J. Zeeman oordeelde in zijn rapportage van 3 september 2003 dat appellant ongeschikt te achten was voor zijn eigen werk, maar geschikt voor passende arbeid en dat na functieduiding een verlies aan verdiencapaciteit resteerde van 29,1%. De WAO-uitkering van appellant is hierop bij besluit van 9 september 2003 met ingang van 5 november 2003 herzien naar de klasse 25-35%.

Appellant heeft in bezwaar, onder verwijzing naar een op 3 oktober 2003 gedateerde brief van zijn huisarts M. Velema, een rapportage inzake reïntegratie van Schouten & Nelissen van 14 maart 2003 en een op 5 november 2003 gedateerde rapportage van de bij Argonaut werkzame psycholoog drs. B. Erenstein, aangevoerd dat zijn beperkingen onvoldoende tot uitdrukking gekomen zijn in de FML. Voorts heeft appellant gesteld dat de geduide functies niet berekend zijn voor zijn belastbaarheid omdat in die functies te lang gezeten moet worden en/of de vereiste afwisseling tussen staan, lopen en zitten niet kan plaatsvinden. Ook stelde hij het Nederlands onvoldoende te beheersen.

Bezwaarverzekeringsarts J.D. van de Nieuwe Giessen heeft blijkens zijn rapportage van 21 maart 2004 in hetgeen in bezwaar is aangevoerd geen aanleiding gezien om het standpunt van de verzekeringsarts Van Luntesburg voor onjuist te houden. De bezwaararbeidsdeskundige F. Swart heeft bij de arbeidskundige heroverweging in bezwaar in het rapport van 16 april 2004 aanleiding gezien de functie van bezorger te laten vervallen en de schatting te baseren op de functie inpakker (handmatig), produktiemedewerker industrie en medewerker tuinbouw. De indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25-35% kon ongewijzigd gehandhaafd blijven, waarop het Uwv bij besluit op bezwaar van 20 april 2004 (hierna: het bestreden besluit) zijn primair besluit gehandhaafd heeft.

Appellant heeft in beroep opnieuw betoogd dat de bij hem bestaande beperkingen onvoldoende tot uitdrukking zijn gekomen in de FML. Bij de beoordeling in bezwaar is naar zijn oordeel ten onrechte voorbij gegaan aan de conclusies van het onderzoek door Argonaut, waarbij ook de psychische beperkingen geobserveerd zijn. Voorts had naar het oordeel van appellant onderzocht moeten worden of er aanleiding was voor een medische urenbeperking.

Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft heeft appellant aangevoerd dat de geduide functies niet als passend te beschouwen zijn. Appellant merkte daartoe - kort gezegd - op dat de functies inpakker en medewerker tuinbouw, waarin zitten alleen kon worden afgewisseld met staan, niet voldeden aan de (in de FML bij aspect 5.9.1 gestelde) eis “zitten staan lopen afwisselen ”. De stelling (van bezwaararbeidsdeskundige Swart) dat afwisseling ook gevonden kon worden in zitten en staan leverde naar het oordeel van appellant een impliciete wijzing van de belastbaarheid op.

Appellant heeft bij schrijven van 14 oktober 2004 nog een Advies van de Indicatiecommissie Sociale Werkvoorziening in geding gebracht.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapportage van bezwaararbeidsdeskundige Swart van 13 juli 2004 nader toegelicht waarom het opleidingsniveau van appellant vastgesteld moet worden op niveau 2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geen aanleiding gezien om de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten, noch om aan te nemen dat de geduide functies niet berekend zouden zijn voor de functionele mogelijkheden van appellant. De rechtbank heeft tot slot het door het Uwv vastgestelde opleidingsniveau juist geacht.

Appellant heeft in hoger beroep zijn in beroep aangevoerde grieven in essentie herhaald.

Het Uwv heeft in verweer onder verwijzing naar een tweetal rapportages van bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen van 6 april 2005 en 19 januari 2007 aangevoerd dat afdoende gemotiveerd is dat de geduide functies passend zijn.

De Raad overweegt als volgt.

Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de Raad op een gebrekkige motivering. De Raad overweegt hiertoe dat appellant blijkens de verzekeringsgeneeskundige rapportage van Van Luntesburg van 20 juni 2003 en de door hem opgestelde FML, geschikt te achten is voor arbeid die wat de afwisseling van houdingen (aspect 5.9.1. van de FML) betreft voldoet aan de specifieke eisen “zitten staan lopen afwisselen”. Bezwaarverzekeringsarts Van de Nieuwe Giessen heeft de betekenis van deze beperking in zijn rapportage van 21 maart 2004 zo uitgelegd dat zitten in de beoordelingssystematiek afgewisseld mag worden met staan en niet noodzakelijk met lopen afgewisseld hoeft te worden. De Raad is met appellant van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts Van de Nieuwe Giessen hiermee een als relativerend te beschouwen wijziging gegeven heeft in de waardering van appellants belastbaarheid. In de toelichting bij aspect 5.9.1 van de FML wordt immers niet de keuze gelaten tussen zitten staan en/of lopen.

Nu de bezwaararbeidsdeskundigen Swart en Hogeveen zich voorts ter motivering van de geschiktheid van de geduide functies gebaseerd hebben op de nadere uitleg van de belastbaarheid zoals verwoord door bezwaarverzekeringsarts Van de Nieuwe Giessen en niet op de belastbaarheid zoals vastgesteld in de FML moet naar het oordeel van de Raad worden vastgesteld dat bij de arbeidskundige beoordeling een niet toegestane relativering van de functionele mogelijkheden van appellant heeft plaatsgevonden.

De Raad is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat het bestreden besluit wegens schending van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kon blijven. Dit betekent dat het hoger beroep om deze reden slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad merkt ten overvloede op dat hem uit de door appellant in bezwaar en beroep overgelegde stukken niet gebleken is dat de overige beperkingen van appellant door de verzekeringsarts onjuist zouden zijn vastgesteld. Verder merkt de Raad op dat het hem niet onjuist voorkomt dat het opleidingsniveau van appellant op 2 is gesteld. Appellant heeft in Turkije de basisschool doorlopen en heeft van 1979 tot medio 1997 productiewerk verricht. Ondanks dat door appellant gesteld is dat hij het Nederlands onvoldoende beheerst, mag naar het oordeel van de Raad verondersteld worden dat hij eenvoudige gebruiksaanwijzingen of instructies moet kunnen begrijpen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.

(get) K.J.S. Spaas.

(get) M. Gunter.