Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7133

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
05-1550 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Toelichting eerst in beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1550 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2005, 04/908 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M. Niemer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2007. Namens appellant is verschenen mr. Niemer. Het Uwv is ambtshalve opgeroepen en heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als elektromonteur voor 40 uur per week toen hij op 25 juli 1999 uitviel met nek- en armklachten. In verband daarmee is hem per 23 juli 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op 3 maart 2003 is appellant in het kader van een herbeoordeling medisch onderzocht. Blijkens het daarna opgestelde medische onderzoeksverslag is geoordeeld dat appellant duurzaam belastbare mogelijkheden had en aangewezen was op werk zonder vaak boven schouderhoogte werken, zonder zwaar tillen, zonder vaak klimmen, zonder frequent reiken, zonder frequent buigen alsmede zonder lang achter elkaar lopen en staan. De beperkingen van appellant zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige uit het Claim beoordelings- en borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd en het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 32,29%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 13 juni 2003 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 29 juli 2003 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.

In bezwaar is appellant door bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever gezien op de hoorzitting. In zijn rapport van 9 maart 2004 heeft Wever de primair vastgestelde medische beperkingen onderschreven, waarna het Uwv bij besluit van 26 maart 2004 (hierna: bestreden besluit) de bezwaren van appellant tegen het besluit van 13 juni 2003 ongegrond heeft verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij meer beperkt is dan de (bezwaar)verzekeringsarts heeft aangenomen. Hij heeft naast meer fysieke beperkingen ook psychische beperkingen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij brieven overgelegd van zijn behandelaars.

De Raad is van oordeel dat de beoordeling van de gezondheidstoestand van appellant op zorgvuldige wijze heeft plaatsgehad. Uit de terzake opgemaakte rapporten blijkt dat bij appellant sprake is van cervicobrachialgie aan beide zijden, een goed genezen fractuur van de linkerenkel (1976) en chronische aspecifieke rugpijn. Naar het oordeel van de Raad geven de beschikbare medische gegevens geen aanleiding voor de conclusie dat appellant ten tijde in geding fysiek meer beperkt was dan door de verzekeringsartsen is aangenomen.

Ten aanzien van de door appellant geclaimde psychische beperkingen overweegt de Raad dat uit de brief van de behandelend neuroloog B. Jelles van 2 oktober 2003, die door appellant in bezwaar is overgelegd, blijkt dat bij appellant mogelijk sprake was van spanningshoofdpijn. De behandelend psychiater S. Bissessur schrijft in zijn brief van

8 december 2004 dat hij appellant voor het eerst heeft gezien op 10 november 2004. Hij beschrijft een psychiatrische stoornis en stelt de GAF-score op 42. In zijn brief van 15 maart 2005 schrijft Bissessur dat bij appellant op en na 29 juli 2003, de datum hier in geding, sprake was van zowel lichamelijke lasten als psychiatrisch lijden.

De Raad ziet in de medische gegevens, mede in aanmerking genomen het gemotiveerde commentaar van bezwaarverzekeringsarts M.C. Wijnen van 17 augustus 2005 op de conclusies van Bissessur, geen aanleiding te oordelen dat op de datum in geding voor appellant psychische beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de (bezwaar)verzekeringsarts voor appellant niet te geringe beperkingen heeft aangenomen.

Met betrekking tot de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit stelt de Raad vast dat het Uwv niet eerder dan in hoger beroep een adequate toelichting heeft gegeven op de aanvaardbaarheid van de (potentiële) overschrijdingen in de functiebelastingen in relatie tot de voor appellant vastgestelde belastbaarheid. De Raad is van oordeel dat, gelet op zijn jurisprudentie met betrekking tot de motivering van besluiten tot stand gekomen met behulp van het CBBS-systeem, het bestreden besluit dient te worden vernietigd evenals de uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten.

De Raad zal thans beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (geheel) in stand kunnen blijven.

De Raad stelt vast dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de functies machinaal metaalbewerker en inpakker koekjes dienen te vervallen, omdat de aanvaardbaarheid van de overschrijding van de belastbaarheid van appellant op het aspect reiken niet van een adequate motivering was voorzien. Het Uwv heeft in dit oordeel berust. Gelet daarop resteren thans nog functies onder drie SBC-codes: productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043), wikkelaar, samensteller (SBC-code 267050) en samensteller printplaten (SBC-code 111180). In hoger beroep heeft bezwaararbeidsdeskundige

Sj.C. Kuiken in een rapport van 21 juli 2005 een toelichting gegeven op de geschiktheid van de functies met uitzondering van de functie samensteller printplaten. De Raad heeft vastgesteld dat ook in die functie een overschrijding op het aspect reiken aan de orde is. Blijkens de FML kan appellant 600 keer per uur reiken. In deze functie komt 650 maal reiken voor, en wel 150 x 70 cm en 500 x 50 cm. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv uiteengezet dat de verzekeringsartsen bij herhaling hebben vastgesteld dat appellant een actief leven leidde, een gespierde indruk maakte en alle bewegingen kon maken. Wat betreft het aspect reiken is appellant licht beperkt en alleen ten aanzien van de reikfrequentie. Het Uwv acht de overschrijding van de reikfrequentie in de functie samensteller printplaten aanvaardbaar, nu het hierbij gaat om 150 x reiken overeenkomstig de normaalwaarde (70 cm) en 500 x reiken onder de normaalwaarde.

De Raad ziet, in aanmerking genomen voormelde toelichting, geen aanleiding de functie van samensteller printplaten voor appellant ongeschikt te achten. Daarmee berust de onderhavige schatting op een adequate arbeidskundige onderbouwing. Dit betekent dat het Uwv appellant per 29 juli 2003 terecht heeft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%, zodat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand kunnen blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal

€ 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Gunter.