Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
05-4265 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geschiktheid eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4265 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 juni 2005, 05/321 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2007. Voor appellant is verschenen mr. D. Gürses, voornoemd. Het Uwv heeft zich met voorafgaand bericht niet doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN.

Appellant is in februari 1999 wegens psychische klachten uitgevallen uit zijn werkzaamheden als voltijds magazijnmedewerker. De hem per het einde van de wettelijke wachttijd toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, is bij besluit van 22 mei 2000 met ingang van 1 juli 2000 weer ingetrokken, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

Bij besluit van 29 oktober 2001 is het tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 september 2002 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2001 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 februari 2004 heeft de Raad evenvermelde uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2001 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om met inachtneming van zijn uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant.

De Raad was van oordeel dat, gelet op de beoordeling die ten grondslag ligt aan het besluit van 29 oktober 2001 - welk besluit inhoudt dat appellant op de in geding zijnde datum geschikt is voor zijn eigen werk - sprake is geweest van onzorgvuldig onderzoek. Vanwege het Uwv is namelijk, aldus de Raad, in het geheel geen onderzoek gedaan naar de aard en de belasting van appellants laatstelijk verrichte eigen werkzaamheden.

Daarbij heeft de Raad opgemerkt dat, voor zover de verzekeringsarts heeft bedoeld te stellen dat appellant op de in geding zijnde datum niet arbeidsongeschikt is vanwege het ontbreken van ziekte en gebreken, dit standpunt in het licht van het overwogene in zoverre geen stand kan houden, nu de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts appellant expliciet geschikt achten voor zijn eigen werk en het Uwv, in navolging van die conclusie, heeft nagelaten bedoeld onderzoek naar de aard en belasting van het eigen werk van appellant in te stellen.

De bezwaarverzekeringsarts van het Uwv heeft naar aanleiding van deze uitspraak van de Raad de medische gegevens opnieuw bestudeerd en is daarbij tot de conclusie gekomen dat ten aanzien van appellant duidelijk sprake is van ziekte of gebreken. De daaruit voor appellant voortvloeiende beperkingen (van psychische aard) heeft hij neergelegd in een belastbaarheidspatroon van 1 juni 2004.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de aard en de belastende aspecten van de eigen werkzaamheden van appellant en heeft geconcludeerd dat appellant, gegeven de voor hem in voormeld belastbaarheidspatroon van toepassing geachte beperkingen, nog in volle omvang voor die eigen werkzaamheden geschikt is te achten.

Bij besluit van 25 januari 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant andermaal ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat appellant ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat zijn beperkingen juist zijn vastgesteld. De bezwaren van appellant zijn, aldus de rechtbank, dan ook niet (meer) gericht tegen het medische aspect van de onderhavige zaak, daargelaten of dat nog aan de orde zou kunnen komen gelet op de eerdere uitspraken van de rechtbank en van de Raad.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat van de zijde van appellant geen informatie is overgelegd waaruit zou moeten worden afgeleid dat de belastende factoren van het eigen werk van appellant onjuist zijn ingeschat. De wel overgelegde medische informatie kan daartoe, aldus de rechtbank, niet dienen. Het beroep tegen het bestreden besluit is aldus door de rechtbank ongegrond verkaard.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat onvoldoende is rekening gehouden met zijn beperkingen. Appellant acht zich als direct gevolg van zijn psychische gesteldheid ten tijde hier van belang niet in staat tot het verrichten van de eigen werkzaamheden. Hij heeft in dit verband gewezen op zijn ernstige depressiviteit, zijn concentratiestoornissen en zijn vergeetachtigheid. Appellant vat dit zelf aldus samen dat hij “volledig de draad kwijt is”.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij, in het bijzonder ook gelet op het verhandelde ter zitting, de rechtbank niet volgt in haar oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit in deze procedure niet meer ter beoordeling staat.

Van de zijde van appellant is expliciet ontkend dat ter zitting van de rechtbank uitlatingen in die richting zijn gedaan. Hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen in de aangevallen uitspraak - en in het proces-verbaal heeft vermeld - moet volgens appellant dan ook op een misverstand berusten. De Raad ziet gelet op deze verklaring van appellant en mede gelet op het feit dat hij - in lijn met zijn verklaringen ter zitting van de Raad - in de loop van de gehele procedure (ook) grieven inzake de medische grondslag van de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling heeft aangevoerd, voldoende aanleiding om eventuele twijfel die ter zake zou bestaan niet ten nadele van appellant te doen strekken.

Voorts overweegt de Raad dat ook zijn eerdere uitspraak van 3 februari 2004 niet in de weg staat aan een beoordeling van de medische grondslag van het bestreden besluit, nu de Raad in die uitspraak met betrekking tot de medische grondslag van het eerdere besluit van 29 oktober 2001 niet anders heeft overwogen dan dat de verzekeringsartsen van het Uwv appellant niet arbeidsongeschikt hebben geacht wegens het ontbreken van ziekte en gebreken, terwijl voorts de bezwaarverzekeringsarts in het kader van de voorbereiding van het thans bestreden besluit de medische grondslag van het eerdere besluit heeft verlaten, in plaats daarvan alsnog is uitgegaan van het bestaan van beperkingen als gevolg van ziekte en gebreken en ook is overgegaan tot het opstellen van een belastbaarheidspatroon.

Wat betreft de beoordeling ten materiele van meergenoemde medische grondslag, is de Raad van oordeel dat de grieven van appellant geen doel treffen. In zijn rapport van 27 mei 2004 heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat de primaire verzekeringsarts als diagnose heeft gesteld een aanpassingsstoornis gemengd met angst en depressieve gevoelens. Die diagnose is tot stand gekomen op basis van een door de psychiater-neuroloog S. Pruyt op verzoek van verzekeringsarts omtrent appellant opgesteld rapport. De aldus omschreven aandoening van appellant berust volgens de bezwaarverzekeringsarts op ziekte en gebreken, maar levert evenwel geen ernstige beperkingen op. In spannende en stressvolle situaties kan appellant zich niet goed staande houden, maar als er sprake is van weinig omgevingsdruk, lukt dat wel redelijk.

De Raad heeft in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht onvoldoende aanknopingspunten gevonden om de door de bezwaarverzekeringsarts van toepassing geachte beperkingen als onjuist of onvoldoende aan te merken. De Raad heeft daarbij in het bijzonder laten wegen dat die beperkingen in overwegende mate zijn gebaseerd op de rapportage van Pruyt, die appellant op een dicht bij de datum in geding gelegen datum heeft onderzocht, en zijn conclusies uitvoerig, inzichtelijk en overtuigend heeft onderbouwd. Voorts heeft appellant zijn opvatting inzake de ernst van zijn psychische problematiek niet aan de hand van op de datum in geding betrekking hebbende medische gegevens onderbouwd. De door hem in beroep bij de rechtbank ingebrachte gegevens leggen reeds geen gewicht in de schaal nu deze betrekking hebben op een datum die is gelegen geruime tijd na de in deze procedure ter beoordeling voorliggende datum.

De Raad acht derhalve de medische grondslag van het bestreden besluit juist. Daarvan uitgaande, kan de Raad zich ook verenigen met het standpunt van het Uwv dat appellant ten tijde hier van belang geschikt is te achten voor de eigen werkzaamheden. De Raad merkt daarbij op dat hij geen reden heeft om te twijfelen aan de uitkomsten van het - uitvoerige - onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige naar de aard en de belastende factoren van het eigen werk. Evenmin bestaat aanleiding om de conclusie in twijfel te trekken dat appellant, gegeven zijn beperkingen en gegeven de aard en de belasting van het eigen werk, daarvoor geschikt is te achten.

De aangevallen uitspraak komt, zij het met wijziging van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.