Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
04/4993, 04/5663 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting (25-35%). Bij nader besluit WAO-schatting 35-45%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4993 en 04/5663 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 augustus 2004, 04/631 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep doen instellen door mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem. Van de zijde van appellant is schriftelijk gereageerd op het verweerschrift van het Uwv en de nadien door hem ingezonden stukken.

Het Uwv heeft tevens ingezonden een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 26 augustus 2004, een nadere arbeidskundige rapportage van

15 maart 2005 en de resultaten van nieuw arbeidskundig onderzoek naar aanleiding van de aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Voets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diekema.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 20 februari 2004 (het bestreden besluit) waarbij hij heeft gehandhaafd zijn besluit van 29 september 2003 tot de verlaging van de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 28 oktober 2003 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant, met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen samengevat, dat weliswaar de medische grondslag van het bestreden besluit door haar wordt aanvaard, maar dat onvoldoende is toegelicht dat de functie van productiemedewerker (SBC 111172) voor appellant geschikt is.

Met het besluit van 26 augustus 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant alsnog gegrond verklaard en het besluit van 29 september 2003 in zoverre herroepen dat de WAO-uitkering van appellant per 28 oktober 2003 wordt verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Hierbij is onder meer de functie productiemedewerker komen te vervallen.

Het besluit van 26 augustus 2004 vormt een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het inleidende beroep wordt geacht zich hiertegen mede te richten.

De beroepsgronden kan en zal de Raad bespreken in verband met het besluit van 26 augustus 2004. Appellant heeft geen belang bij een afzonderlijke beoordeling van zijn hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank betreffende het besluit van 20 februari 2004 en dat zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

In hoger beroep heeft de verzekeringsarts de FML in overeenstemming gebracht met de beperkingen zoals deze al eerder bleken uit de verzekeringsgeneeskundige rapportages. Appellant heeft in hoger beroep twee verzekeringsgeneeskundige rapportages overgelegd, die zien op de situatie in 2006. Hij heeft terecht opgemerkt dat, ondanks een verbetering in zijn gezondheidstoestand, in tegenstelling tot eerder thans wordt uitgegaan van beperkingen op de FML-aspecten 1.9.6 en 1.9.7. Voor dat verschil is van de zijde van het Uwv geen bevredigende verklaring gegeven.

Aan de hand van de gewijzigde FML heeft de bezwaararbeidskundige opnieuw een onderzoek ingesteld naar de functies die appellant ondanks de voor hem geldende medische beperkingen zou kunnen verrichten. In zijn rapportage van 13 april 2007 heeft de bezwaararbeidsdeskundige naar het oordeel van de Raad overtuigend gemotiveerd dat de belastbaarheid in een voldoende aantal van de eerder als geschikt aan appellant voorgehouden functies binnen de grenzen van de gewijzigde FML blijft. Ook de schijnbare overschrijdingen zijn daarbij genoegzaam toegelicht. Het theoretische loonverlies is daarbij becijferd op ruim 37%. Appellant is terecht ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35-45%.

Anders dan appellant heeft betoogd, doet hieraan niet af als ook op de FML-aspecten 1.9.6 en 1.9.7 sprake is van beperkingen, nu op die aspecten geen bijzondere belasting in de geduide functies voorkomt.

De Raad is van oordeel dat appellant, anders dan gesteld, met de door hem genoten opleiding voldoet aan voor de geduide functies gestelde opleidingseisen.

Eerst hangende het geding in hoger beroep is het besluit van 26 augustus 2004 van een voldoende draagkrachtige motivering voorzien. Hierin vindt de Raad aanleiding om het zich tot dat besluit uitstrekkende beroep gegrond te verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb te vernietigen. De Raad ziet daarbij tevens aanleiding om onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit van 26 augustus 2004 in stand te laten.

De Raad zal het Uwv veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep wegens de hem verleende rechtsbijstand begroot op € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 augustus 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 26 augustus 2004 in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.