Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7111

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
05-552 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Deugdelijke onderbouwing eerst in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/552 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 januari 2005, 04/1967 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Namens appellant zijn bij brief van 16 april 2007 de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.

Het Uwv heeft, mede in reactie hierop, bij brief van 25 april 2007 nadere stukken ingezonden, waaronder rapporten van zijn bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2007. Namens appellant is verschenen mr. Voets, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. Diekema.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 16 juli 2004, hierna: het bestreden besluit, waarbij in bezwaar is gehandhaafd het besluit van 10 oktober 2003 tot verlaging met ingang van 10 december 2003 van de naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

De rechtbank heeft overwogen dat er gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant per 10 december 2003. De rechtbank heeft daarbij mede in ogenschouw genomen dat door de verzekeringsarts informatie is opgevraagd bij de huisarts en de behandelend cardioloog van appellant en in bezwaar ook nog informatie van de behandelend longarts in de beoordeling is betrokken. Met betrekking tot de van de zijde van appellant ingebrachte informatie heeft de rechtbank overwogen dat daaruit niet kan worden afgeleid dat appellant minder belastbaar is te achten dan door het Uwv is aangenomen. De nog nader aangevoerde gronden, onderbouwd met informatie van de huisarts en de behandelend oogarts, acht de rechtbank voldoende weerlegd met het daarop door de bezwaarverzekeringsarts gegeven commentaar.

Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de aan de onderhavige schatting als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden ten grondslag gelegde functies functies inpakker, huishoudelijk medewerker en wasserijmedewerker. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant in de eerste plaats staande gehouden dat hij als gevolg van de combinatie van zijn hartklachten, longklachten, diabetes, klachten aan rechterhand en vingers, schouderklachten en een doof gevoel aan de benen ernstiger beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Appellant acht zichzelf op medische gronden volledig arbeidsongeschikt. Daarnaast heeft appellant ook grieven naar voren doen brengen inzake de bij de schatting betrokken functies. Appellant is de opvatting toegedaan dat die functies in verband met verschillende daaraan verbonden belastingaspecten te zwaar voor hem zijn. Appellant stelt voorts dat het Uwv in gebreke is gebleven om deugdelijk toe te lichten en te onderbouwen waarom de functies als passend zouden zijn aan te merken.

Gelijk de rechtbank kan de Raad appellant niet volgen in diens opvatting dat zijn beperkingen zijn onderschat. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts beschikten bij hun oordeelsvorming over informatie van de verschillende behandelend artsen van appellant. Gelet op die informatie alsmede op de uitkomsten van eigen medisch onderzoek, waren de verzekeringsartsen bekend met alle klachten en aandoeningen van appellant. De stelling van appellant dat zij bij het vaststellen van zijn belastbaarheid met het geheel van alle klachten en aandoeningen in onvoldoende mate rekening hebben gehouden, vindt geen steun in de reeds beschikbare medische gegevens en is in hoger beroep niet aan de hand van nadere objectief-medische gegevens aannemelijk gemaakt.

Uitgaande aldus van de juistheid van de ten aanzien van appellant in aanmerking genomen beperkingen, is de Raad voorts van oordeel dat de als grondslag voor de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in aanmerking genomen functies terecht als voor appellant passend zijn aangemerkt. De Raad heeft daarbij met name acht geslagen op de door het Uwv in hoger beroep nader verstrekte motivering van de passendheid van de functies, als vervat in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 16 maart 2007 en - in het bijzonder - het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van

15 maart 2007. Met die rapporten is in toereikende mate komen vast te staan dat de drie als schattingsgrondslag in aanmerking genomen functies, als hiervoor vermeld, voor appellant haalbaar zijn te achten.

De Raad merkt daarbij op dat de opvatting van appellant dat die functies niet voor hem geschikt zijn, in overwegende mate is gegrond op zijn eigen opvatting dat zijn beperkingen niet juist zijn gewaardeerd. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat de Raad die opvatting niet onderschrijft.

Naar aanleiding van hetgeen in dit verband van de zijde van appellant naar voren is gebracht, merkt de Raad nog op dat zulks ook geldt voor aspect 4.3 van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), betreffende het hand- en vingergebruik. De stelling van appellant dat ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen wat betreft dat onderdeel, ontbeert een toereikend medisch substraat. De enkele vermelding onder aspect 4.2 van de FML, betreffende de localisatie van de beperkingen, inhoudende dat sprake is van zeer lichte handbeperkingen aan de (dominante) rechterzijde - waarop appellant in dit verband heeft gewezen - volstaat daartoe niet. De Raad verwijst hierbij naar het rapport van de verzekeringsarts van

10 september 2003, waarin deze met zoveel woorden heeft aangegeven dat ten aanzien van het gebruik van de rechterhand slechts sprake is van enkele zeer lichte beperkingen, in die zin dat die beperkingen alleen bestaan bij voortdurend/vaak/veel gebruik van de hand indien dat ook nog eens gepaard gaat met het verrichten van zwaar werk. Afgezien hiervan zijn er, aldus de verzekeringsarts, eigenlijk verder geen beperkingen aanwijsbaar.

In het bovenstaande ligt besloten dat appellant niet kan worden gevolgd in diens opvatting dat de functies in verband met daarin voorkomende belasting ten aanzien van het gebruik van de handen en vingers - met name het toepassen van verschillende grepen - voor hem niet geschikt zijn te achten.

Vastgesteld moet evenwel worden dat een deugdelijke onderbouwing van de passendheid van de functies eerst in de fase van het hoger beroep is verstrekt. De Raad verbindt daaraan als gevolg dat het bestreden besluit, als strijdig met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient te worden vernietigd, maar is tevens van oordeel dat in het licht van het vorenoverwogene termen bestaan om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand te laten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en eveneens op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Tevens dient het Uwv de kosten van het opvragen van medische inlichtingen, ten bedrage van € 35,80 te vergoeden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.323,80,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 139,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.