Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7108

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
06-4109 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand in de legeskosten in verband met de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van echtgenote en kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4109 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 juni 2006, 05/1510 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2007. Voor appellant is verschenen mr. Wudka. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door L.B.W. Heuts, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant heeft op 12 januari 2005 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de legeskosten in verband met de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van zijn echtgenote en kinderen.

Bij besluit van 1 maart 2005 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat aanspraak kan worden gemaakt op een voorliggende voorziening te weten een lening bij de Kredietbank.

Bij besluit van 17 juni 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 1 maart 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 juni 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder f, van de WWB wordt onder een voorliggende voorziening verstaan elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen ter bekostiging van specifieke uitgaven.

Het College heeft onbetwist gesteld en ook de Raad gaat er van uit dat appellant ten tijde hier van belang geen schulden had. Gelet hierop en op de hoogte van de in geding zijnde kosten, in totaal € 1.425,--, acht de Raad het aannemelijk dat de in de gemeente Maastricht bestaande kredietmogelijkheid bij de Kredietbank toereikend is voor de legeskosten. Anders dan appellant acht de Raad kredietverlening door een gemeentelijke kredietbank voor hem ook passend.

Het eerste lid van artikel 16 van de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB, in bedoelde kosten bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Blijkens de memorie van toelichting dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Hieruit volgt dat aan het College niet de bevoegdheid toekwam om bijzondere bijstand te verlenen voor de hier besproken kosten.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M. Pijper.