Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7022

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
05-4613 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4613 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2005, 05/1171 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, alsmede een rapportage d.d. 4 oktober 2005 van de bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink.

De gemachtigde van appellante heeft hierop gereageerd, onder meer via het overleggen van een reactie van Verhage, directrice van Instituut Psychosofia (hierna: Psychosofia).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2007. Namens appellante is haar voornoemde gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Appellante heeft beroep doen instellen tegen het besluit van het Uwv van 8 februari 2005 (het bestreden besluit), waarbij haar bezwaren tegen het besluit van 24 augustus 2004 ongegrond zijn verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv geweigerd om aan appellante per 2 januari 2004, aansluitend aan de wettelijke wachttijd van 52 weken, een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

Aan het bestreden besluit ligt de overweging ten grondslag, dat appellante met haar beperkingen (weer) in staat wordt geacht, om de voor haar maatgevende werkzaamheden van lid van een smaakpanel gedurende 5 uur per week, te verrichten.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat appellante ten onrechte geschikt is geacht voor de genoemde werkzaamheden, omdat zij met haar beperkingen niet in staat is die werkzaamheden te verrichten. Daarbij is er onder meer op gewezen dat appellante op 29 maart 2005 opnieuw is getest voor de functie van panellid bij Unilever, maar dat zij als gevolg van haar beperkingen niet positief door de testen is gekomen. De weigering om appellante een WAO-uitkering toe te kennen, kan daarom niet op haar vermeende geschiktheid voor de genoemde werkzaamheden worden gebaseerd.

De Raad stelt vast dat in hoger beroep alleen in geding is de vraag, of appellante per 2 januari 2004 in staat moet worden geacht om met haar beperkingen, voor zover die het rechtstreeks en objectief medisch gevolg van ziekte of gebreken zijn, de werkzaamheden te verrichten, verbonden aan de functie van lid van een smaakpanel gedurende 5 uur per week, zoals zij die functie uitoefende in de periode voorafgaande aan het intreden van haar arbeidsongeschiktheid in januari 2003.

Evenals de rechtbank en met overneming van de betreffende overwegingen, beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend.

De verzekeringsarts J.F. den Otter heeft op grond van eigen onderzoek en van informatie van artsen die appellante hebben behandeld, een aantal beperkingen voor appellante geformuleerd, waaronder een zogenoemde duurbeperking van 20 uur per week, en die vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst. De bezwaarverzekeringsarts

J.C. Weegink heeft deze beoordeling gemotiveerd onderschreven.

Naar het oordeel van de Raad blijft de belasting van de functie van panellid gedurende 5 uur per week ruim binnen de voren aangegeven belastbaarheid van appellante. De Raad heeft geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden, ook niet in de rapportages van Psychosofia, voor de stelling dat appellante die werkzaamheden op

2 januari 2004 als gevolg van objectief medisch vastgestelde en uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen, niet zou kunnen verrichten.

Dat zij op 29 maart 2005 de tests voor die functie niet met goed gevolg heeft afgelegd kan niet tot een ander oordeel leiden. Nog daargelaten dat die tests ruim na de datum in geding zijn afgelegd, is de Raad met de bezwaarverzekeringsarts Weegink, zie zijn rapportage van 4 oktober 2005, van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn om het niet succesvol passeren van de tests toe te schrijven aan uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen van appellante.

De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.