Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7010

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
05-4969 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4969 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 juli 2005, 04/1659 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn de gronden van het hoger beroep nader toegelicht en zijn nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Leest. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. E.B. Knollema.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 17 mei 2004, hierna: het bestreden besluit, waarbij in bezwaar is gehandhaafd het besluit van 26 september 2003 tot verlaging met ingang van 4 november 2003 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% van de naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant houdt in hoger beroep zijn opvatting staande dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. In het bijzonder gaat het daarbij om neurologische complicaties - polyneuropathie - van zijn diabetes mellitus, welke complicaties volgens appellant ook nopen tot het aannemen van beperkingen ten aanzien van hand- en vingergebruik. Voorts heeft appellant gewezen op de spanningsklachten en stemmingswisselingen die het gevolg zijn van zijn lichamelijke klachten. Hij doet wederom een beroep op een rapport van de neuroloog H.P. Siegers die op verzoek van appellant omtrent hem heeft gerapporteerd.

De Raad ziet deze grieven in navolging van de rechtbank niet slagen.

De rechtbank heeft met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig is geweest, in welk verband zij onder meer heeft laten wegen dat, naast eigen medisch onderzoek door de verzekeringsarts, ook informatie is ingewonnen bij de huisarts van appellant en bij de behandelend neuroloog W.van Pelt en voorts dat op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts de psychiater J. IJsselstein omtrent appellant heeft gerapporteerd.

De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de op die basis vastgestelde beperkingen. Ook in het rapport van de neuroloog Siegers heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor zodanige twijfel, aangezien uit de rapportage van die arts niet blijkt van klachten en/of beperkingen bij appellant waarmee het Uwv geen rekening heeft gehouden bij het opstellen van het belastbaarheidsprofiel.

In verband met dit laatste heeft de rechtbank overwogen dat Siegers kennelijk geen kennis heeft genomen van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 24 maart 2004, waarin deze heeft aangegeven dat voldoende zware beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van zware lichamelijke werkzaamheden in verband met de diagnose polyneuropathie. Evenmin heeft Siegers kennelijk, aldus de rechtbank, kennisgenomen van het rapport van de psychiater IJsselstein, die op zijn vakgebied geen objectiveerbare ziekte of gebrek bij appellant heeft kunnen vaststellen. Volgens de rechtbank heeft Siegers zijn opvatting, dat appellant voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is, niet gemotiveerd.

De Raad kan zich in deze overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank volledig vinden. De Raad voegt daaraan nog toe dat er geen medische gegevens zijn die appellant steunen in de opvatting dat er naast de ten aanzien van het gebruik van zijn handen reeds aangenomen beperkingen inzake zware til- en draagwerkzaamheden, ook - anderszins - beperkingen inzake hand- en vingergebruik hadden dienen te worden aangenomen. Voorts overweegt de Raad dat de wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant naar 80 tot 100% met ingang van 14 februari 2005, in verband waarmee zijn uitkering is verhoogd met ingang van 12 februari 2007, niet van belang is voor de onderhavige procedure. De Raad merkt daarbij op dat genoemde datum van ophoging van appellants arbeidsongeschiktheid geruime tijd na de in dit geding aan de orde zijnde datum is gelegen, terwijl appellant desgevraagd ter zitting heeft aangegeven dat sprake is van een - na de datum in geding opgetreden - verergering van zijn klachten.

Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant juist zijn gewaardeerd, heeft de Raad geen aanleiding om ervan uit te gaan dat de bij de schatting als voor appellant geschikte arbeidsmogelijkheden betrokken functies, voor hem niet haalbaar zouden zijn.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.