Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7002

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
06/1969 WWB, 06/1972 WWB, 06/2008 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Boete. Afwijzing van de nieuwe aanvraag. Niet woonachtig op het opgegeven adres? Geen nader onderzoek. Proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1969 WWB

06/1972 WWB

06/2008 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 februari 2006, 04/5557, 05/1922 en 05/1923 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Biemond, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Biemond en de tolk A. Baksoellah. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant is gehuwd met [B.] (hierna: [B.]), maar woonde al langere tijd (tenminste vanaf december 1996) gescheiden van zijn echtgenote op het adres [adres 1] te [woonplaats], alwaar hij bijstand ontving naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.

Naar aanleiding van een aanvraag van appellant om bijzondere bijstand in de kosten van huisraad, heeft een medewerker van het wijkkantoor Loosduinden van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage op 13 mei 2004 bij appellant een huisbezoek afgelegd. Op grond van de bevindingen bij dit bezoek, neergelegd in een rapportage van 13 mei 2004, en de daarbij door appellant ondertekende verklaring dat zijn zoon in de [adres 1] woont en dat hij zelf vanaf 1 januari 2002 bij [B.] woont op het adres [adres 2] te[woonplaats], heeft het College de bijstand bij besluit van 13 mei 2004 met ingang van 1 mei 2004 beëindigd (lees: ingetrokken). Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant niet verblijft op het door hem opgegeven adres, maar een gezamenlijke huishouding voert met [B.].

Op 14 mei 2004, om 08:00 uur, heeft een medewerker van het wijkkantoor Schilderswijk Oost van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage een huisbezoek afgelegd in de woning van [B.]. Nadat [B.] alle ruimtes, slaapplaatsen, kasten en dergelijke had laten zien, is blijkens het van dit bezoek opgemaakte rapport van 10 juni 2004 vastgesteld dat er niets is aangetroffen waaruit zou kunnen blijken dat appellant bij [B.] woont. Een blijkens het rapport voorgenomen tweede onaangekondigd huisbezoek is niet meer afgelegd.

Bij besluit van 6 juli 2004 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 maart 2004 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 30.002,67 van hem teruggevorderd op de grond dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld, nu gebleken is dat hij niet woonachtig was op het opgegeven adres.

Bij besluit van 7 juli 2004 heeft het College het teruggevorderde bedrag nader vastgesteld op € 26.764,58 en appellant op de hoogte gesteld van het voornemen om hem een boete op te leggen.

Bij besluit van 23 juli 2004 heeft het College wegens schending van de inlichtingen-verplichting aan appellant een boete opgelegd van € 2.266,--.

Op 23 juli 2004 heeft appellant een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend, ingaande 21 juni 2004. Het College heeft deze aanvraag bij besluit van 4 augustus 2004 afgewezen op de grond dat appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht.

Bij besluit van 17 november 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 mei 2004 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 31 januari 2005 zijn de bezwaren tegen de besluiten van 6 juli 2004, zoals gewijzigd bij besluit van 7 juli 2004, alsmede tegen het besluit van 23 juli 2004 ongegrond verklaard.

Het College heeft het besluit van 31 januari 2005 wat de hoogte van de opgelegde boete betreft herzien bij besluit van 21 juni 2005 en deze nader vastgesteld op een bedrag van € 242,81.

Bij afzonderlijk besluit, eveneens gedateerd 31 januari 2005, is het bezwaar tegen de afwijzing van de nieuwe aanvraag bij besluit van 4 augustus 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen het besluit van 17 november 2004, de twee besluiten van 31 januari 2005, en tegen het besluit van 21 juni 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij steeds op het adres [adres 1] heeft gewoond.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekkingen per 1 mei 2004 en over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 maart 2004

Ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

In artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (hierna: de WWB, tot 1 januari 2005 artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet), bezien in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB worden gevonden, indien als gevolg van een vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend, dan wel het recht op bijstand niet (meer) kan worden vastgesteld. Indien het gaat om de intrekking van een eerder toegekende uitkering, een voor de betrokkene belastend besluit, is het daarbij aan het bestuursorgaan om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor uitoefening van de bevoegdheid om de bijstand in te trekken is voldaan.

De Raad stelt voorop dat het huisbezoek dat op 13 mei 2004 met toestemming van appellant op het adres [adres 1] is afgelegd, plaatsvond in het kader van de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand, waarbij de betreffende medewerker de noodzaak van vervanging van de gevraagde huisraad diende te onderzoeken. Tijdens dit bezoek rees bij deze medewerker het vermoeden dat niet appellant, maar diens zoon de woning bewoonde. Nadat de medewerker appellant had geconfronteerd met zijn vermoeden heeft appellant de door deze medewerker opgestelde summiere verklaring, dat zijn zoon de woning aan de [adres 1] bewoont en dat hij zelf sinds 1 januari 2002 bij zijn vrouw woont aan de [adres 2], ondertekend.

De Raad stelt voorts vast dat bij het huisbezoek dat de volgende dag vroeg in de morgen in de woning van [B.] is afgelegd niets is aangetroffen waaruit zou kunnen blijken dat appellant daar woonde.

Aan de besluiten tot intrekking van 17 november 2004 en 31 januari 2005 ligt ten grondslag dat bij het op 13 mei 2004 afgelegde huisbezoek en uit de daarbij door appellant afgelegde verklaring is gebleken dat appellant niet woont op het door hem opgegeven adres en dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet is vast te stellen.

De Raad begrijpt het standpunt van het College aldus, dat hij in de resultaten van het huisbezoek in de woning van [B.] aanleiding heeft gevonden om de grondslag voor de intrekking per 1 mei 2004 - het voeren van een gezamenlijke huishouding met [B.] - te wijzigen en in plaats daarvan aan het besluit ten grondslag te leggen dat het recht op bijstand als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld. Dit is ook de grondslag voor de intrekking van de bijstand over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 maart 2003.

Gelet op de uit artikel 3:2 van de Awb voortvloeiende onderzoeksplicht, het feit dat het hier gaat om voor appellant belastende besluiten, alsmede in aanmerking genomen de aanleiding voor het huisbezoek in de woning van appellant - de bijzondere bijstand -, had het College naar het oordeel van de Raad na het bij [B.] afgelegde huisbezoek niet zonder meer tot (handhaving van de) intrekking van de bijstand kunnen overgaan op de grond dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld, maar een nader onderzoek behoren in te stellen naar het recht op bijstand van appellant per 1 mei 2004 en over de periode van 1 mei 2002 tot en met 31 maart 2004.

In het kader daarvan had het College appellant op zijn minst moeten confronteren met de strijdigheid van zijn verklaring met de bevindingen in de woning van [B.] en hem in de gelegenheid moeten stellen om, in het licht van de bevindingen bij het huisbezoek in de woning aan de [adres 1], (nader) te verklaren omtrent zijn woonsituatie. Afhankelijk van de uitkomst daarvan had mogelijk een tweede huisbezoek in de woning van [B.] in de rede gelegen en had eventueel nog aanvullend een buurtonderzoek kunnen worden ingesteld. Anders dan het College ziet de Raad, in het licht van het vorenstaande, dan ook geen aanleiding aan de door appellant ondertekende verklaring tijdens het huisbezoek op 13 mei 2004 - zonder meer - de doorslaggevende betekenis te hechten.

Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 17 november 2004, alsmede het besluit van 31 januari 2005 voor zover het de intrekking betreft, onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 17 november 2004 en het besluit van 31 januari 2005 voor zover het de intrekking betreft vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en bepalen dat het College met inachtneming van deze uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar neemt.

De terugvordering en de boete

Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat de intrekking van de bijstand over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 maart 2004 niet in stand kan blijven. Daarmee is zowel aan het terugvorderingsbesluit als aan het boetebesluit de grondslag komen te ontvallen, zodat het besluit van 31 januari 2005 in zoverre, alsmede het besluit van 21 juni 2005 eveneens voor vernietiging in aanmerking komen en de aangevallen uitspraak ook om die reden niet in stand kan blijven. De Raad zal bepalen dat het College ten aanzien van de terugvordering en ten aanzien van de boete nieuwe besluiten op bezwaar dient te nemen.

De afwijzing van de nieuwe aanvraag

Aan het besluit van 31 januari 2005 betreffende de aanvraag van 23 juli 2004 ligt het uitgangspunt ten grondslag dat appellant geen recht op bijstand meer had. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet dit uitgangspunt naar het oordeel van de Raad vooralsnog voor onjuist worden gehouden. Dit betekent dat het besluit van 31 januari 2005 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, evenals de aangevallen uitspraak in zoverre, voor vernietiging in aanmerking komen.

Proceskosten

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op

€ 1.932,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand vermeerderd met € 88,43 als kosten voor de tolk.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen gegrond;

Vernietigt het besluit van 17 november 2004, de twee besluiten van 31 januari 2005, alsmede het besluit van 21 juni 2005;

Bepaalt dat het College nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.664,43, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 216,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.C. Palmboom.