Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6999

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
06/1298 AW, 06/1304 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing. Ontslag wegens onverenigbaarheid van karakters.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1298 AW en 06/1304 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 februari 2006, 04/3127 en 04/5033 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 7 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2007. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C. Holtkamp en R. van der Heijden, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante, sedert 17 april 1990 in dienst bij de gemeente Amsterdam, was laatstelijk werkzaam in de functie van [naam funtie] bij de dienst Stadstoezicht. Op

20 augustus 2003 is een conflict ontstaan tussen appellante en haar direct leidinggevende H, waarna appellante door H tot nader order naar huis is gestuurd.

1.2. Bij brief van 30 januari 2004 heeft het college appellante een voorstel gedaan tot beëindiging van het dienstverband, waarmee appellante niet heeft kunnen instemmen. Bij besluit van 5 februari 2004 is appellante met toepassing van artikel 912, tweede lid, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) geschorst met behoud van bezoldiging. Tevens heeft het college daarbij het op 30 januari 2004 gedane voorstel ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 15 april 2004 heeft het college appellante medegedeeld dat haar met ingang van 1 juli 2004 ontslag wordt verleend op grond van het bepaalde in artikel 1122, aanhef en sub d, van het ARA.

1.4. Bij het bestreden besluit van 21 juni 2004 (besluit 1) is het bezwaar van appellante tegen het schorsingsbesluit van 5 februari 2004, namens het college door de directeur van de dienst stadstoezicht, ongegrond verklaard.

Bij het bestreden besluit van 13 september 2004 (besluit 2) is het bezwaar van appellante tegen het ontslagbesluit van 15 april 2004 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen door appellante in hoger beroep tegen deze uitspraak is aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

Ten aanzien van besluit 1:

3.1. De Raad is niet gebleken dat aan dit besluit formele gebreken kleven. Zo is het primaire schorsingsbesluit van 5 februari 2004 (niet door de directeur, maar) door het hoofd Personeel en Organisatie namens het College genomen, zodat de directeur bevoegd was het besluit op bezwaar in mandaat te nemen.

3.2. Op grond van artikel 912, tweede lid, van het ARA kan het college de ambtenaar schorsen met behoud van zijn bezoldiging, indien er omstandigheden zijn waarin het naar het oordeel van het college redelijkerwijs niet aanvaardbaar is dat de ambtenaar zijn werkzaamheden blijft verrichten.

3.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op 5 februari 2004 de verhoudingen tussen appellante en H zodanig waren verstoord dat van een effectief functioneren van beiden tezamen in de organisatie geen sprake kon zijn. Ook indien gezegd moet worden dat appellante in haar brief van 20 augustus 2003, waarin zij erkent dat het gesprek met H uit de hand is gelopen en dat beiden boos waren, niet het vertrouwen in H. heeft opgezegd, is de Raad van oordeel dat appellante nadien in houding, gedrag en woorden er blijk van heeft gegeven te twijfelen aan de integriteit van H. De Raad wijst hierbij op de brief van appellante van 26 augustus 2003, waarin appellante H onder meer beschuldigt van rancuneus gedrag, een beschuldiging overigens waarvan niet is gebleken dat die op waarheid berustte. Ook uit de verslagen van de gesprekken die nadien hebben plaatsgevonden blijkt genoegzaam dat een vruchtbare samenwerking tussen appellante en H niet meer mogelijk was. Gelet hierop kon het college besluiten gebruik te maken van zijn bevoegdheid appellante te schorsen.

3.4. Hetgeen appellante tegen deze schorsing overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Dat het college lang heeft gewacht met het nemen van een besluit met betrekking tot de status van appellante na 20 augustus 2003, betekent niet dat het college in februari 2004, na te hebben geconcludeerd dat voortzetting van de werkzaamheden door appellante niet was gewenst, niet meer van zijn schorsingsbevoegdheid gebruik mocht maken.

Ten aanzien van besluit 2.

4.1. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat er sprake is van onverenigbaarheid van karakters tussen appellante en H, in welk geval het college op grond van artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder d, van het ARA tot ontslag kan overgaan.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat na het ontstaan van het conflict op 20 augustus 2003 er een zodanige verharding van de standpunten heeft plaatsgevonden dat samenwerking tussen appellante en H redelijkerwijs niet meer mogelijk was. Niet gezegd kan worden dat er van de zijde van het college onvoldoende is gedaan om appellante voor de dienst of de gemeente Amsterdam te behouden. Mede gezien het feit dat de functie van appellante op afzienbare termijn in verband met een reorganisatie zou komen te vervallen, is appellante op 30 januari 2004 een alleszins redelijk aanbod gedaan, inhoudende toekenning van de RAP status gedurende één jaar, een outplacementtraject, alsmede de toezegging dat de dienst de kosten van een door appellante gewenste opleiding voor zijn rekening zou nemen. Dat dit aanbod is ingetrokken, nadat appellante te kennen had gegeven hiermee niet te kunnen instemmen, kan de Raad niet aanmerken als schending van het vertrouwensbeginsel.

4.3. Evenmin is anderszins door het college bij appellante het te honoreren vertrouwen gewekt dat zij pas als gevolg van de voorgenomen reorganisatie haar baan zou verliezen en niet als gevolg van de ontstane verstoorde verhoudingen. Hetgeen van de zijde van het college op de zitting van de voorzieningenrechter van 11 februari 2004 is medegedeeld omtrent toekenning van de RAP status is daarvoor onvoldoende, zeker gezien de mededeling van het college op diezelfde zitting, dat appellante alsnog kon ingaan op het aanbod van 30 januari 2004, maar dat het aan haar was om dit aan te geven. De Raad heeft in het dossier geen aanwijzingen kunnen vinden, dat appellante dit aan het college te kennen heeft gegeven.

4.4. De Raad deelt niet appellantes grief dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de achtergronden van het conflict en de opstelling van H daarin. Het is voornamelijk de opstelling van appellante geweest, niet alleen tegenover H, maar ook ten opzichte van andere medewerkers van de dienst Stadstoezicht die zich hebben willen inspannen om tot een oplossing te komen, die ertoe heeft geleid dat er in onderling overleg geen overeenstemming kon worden bereikt. In dit verband is door het college niet ten onrechte gesteld dat deze opstelling van appellante eveneens een belangrijke factor is geweest waarom het niet mogelijk is gebleken te komen tot herplaatsing van appellante elders in de gemeentelijke organisatie.

4.5. Appellante heeft voorts aangevoerd dat de dienst Stadstoezicht zich niet als goed werkgever heeft gedragen door niet te onderzoeken of de kennelijk in dit geval door Stadstoezicht gemaakte keuze voor een blanke mannelijke leidinggevende ten nadele van een negroïde vrouwelijke ondergeschikte wel op objectieve gronden gebaseerd kon worden. Ook deze grief onderschrijft de Raad niet. Uit hetgeen hiervoor onder 4.4. is overwogen kan worden geconcludeerd dat appellante, zo niet in het ontstaan dan in ieder geval in het voortbestaan van het conflict een groot aandeel heeft gehad. Onder die omstandigheden kon het college ervoor kiezen om tot beëindiging van het dienstverband met appellante over te gaan. Dat daarbij oneigenlijke argumenten een rol hebben gespeeld, is de Raad niet kunnen blijken. Van enig onzorgvuldig handelen van het college of de dienst Stadstoezicht is naar het oordeel van de Raad dan ook geen sprake.

4.6. Volgens vaste jurisprudentie kan een ontslag zoals hier aan de orde in het algemeen slechts worden verleend indien daaraan een financiële regeling wordt verbonden die (de garantie van) een uitkering inhoudt die ten minste gelijk is aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet (WW) en de regeling(en) inzake bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de WW. Het bestuursorgaan kan tot een verder gaande financiële regeling zijn gehouden op grond van zijn aandeel in het bestaan en het voortbestaan van de omstandigheden die tot het ontslag hebben geleid.

4.6.1. De Raad stelt vast dat het college in dit geval een uitkering als hiervoor bedoeld aan appellante heeft gegarandeerd. Daarnaast is het college bereid, indien appellante daarom verzoekt, gedurende maximaal drie maanden een outplacementtraject aan te bieden. Ter zitting van de Raad is namens het college medegedeeld dat dit aanbod nog steeds van kracht is.

4.6.2. De Raad acht de getroffen regeling niet onredelijk. Gelet ook op hetgeen onder 4.4. en 4.5. is overwogen, ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat het college appellante een extra aanvullende voorziening had behoren toe te kennen.

5. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank de bestreden besluiten terecht in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.