Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6986

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
06/981 AW, 07/983 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet voldaan aan voorwaarden om gebruik te kunnen maken van de Regeling Geleidelijke Uittreding Senioren (hierna: RGUS) van de Universiteit Leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/981 AW en 07/983 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van Bestuur van het Academisch Ziekenhuis Leiden (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 januari 2006, 04/4879 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 7 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 30 januari 2007 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B van Linge en E. Nijzingh, beiden werkzaam bij het Academisch Ziekenhuis Leiden (hierna: AZL). Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.L. van der Geest, werkzaam bij ACHMEA rechtsbijstand.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, geboren [in] 1949, was in dienst bij de Universiteit Leiden en werkzaam in de functie van [functie] bij het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). Betrokkene is met ingang van 1 april 2001 in dienst getreden bij het AZL in verband met de overgang van het LUMC personeel met een universitair dienstverband naar een dienstverband bij het AZL. In het kader van die overgang is het Arbeidsvoorwaardenprotocol (hierna: protocol) van 16 november 2000 opgesteld. In december 2002 is de Aanvullende regeling arbeidsvoorwaardenprotocol (hierna: aanvullende regeling) opgesteld, waarbij ten behoeve van het personeel dat was overgegaan, een aanvullende regeling is vastgesteld met betrekking tot de bij de Universiteit Leiden bestaande seniorenregelingen.

1.2. Bij brief van 9 februari 2004 heeft betrokkene verzocht gebruik te mogen maken van de Regeling Geleidelijke Uittreding Senioren (hierna: RGUS) van de Universiteit Leiden. Appellant heeft de afwijzing van dit verzoek na door betrokkene gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 oktober 2004 op de grond dat betrokkene op 1 april 2004 nog geen 55 jaar oud was.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat de RGUS moet worden beschouwd als een lokale regeling van de Universiteit Leiden. Nu de RGUS niet voortvloeit uit een akkoord van CAO-partijen, valt deze regeling niet onder de seniorenregelingen als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder d, van het protocol. In de aanvullende regeling is voor overgeheveld personeel de mogelijkheid gecreëerd om onder bepaalde voorwaarden toch te kunnen deelnemen aan de RGUS. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de voorwaarden van de aanvullende regeling evenwel innerlijk tegenstrijdig, hetgeen kan leiden tot een onbillijke situatie. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering, omdat geen enkele overweging is gewijd aan het beroep van betrokkene op de hardheidsclausule.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, het volgende.

3.1. In artikel 8, onder d, van het protocol is - voor zover hier van belang - bepaald dat werknemers die overgaan en geboren zijn voor 1 januari 1951 tot uiterlijk 1 januari 2006 de mogelijkheid behouden om aan te sluiten bij de op dat moment geldende senioren-regeling van de CAO Nederlandse Universiteiten (hierna: CAO NU) en de daarop voortbouwende regelingen van de Universiteit.

3.2. In de aanvullende regeling is in onderdeel 1 van de rubriek Algemeen - voor zover hier van belang - bepaald dat medewerkers die zijn overgeheveld, en die aan de toetredingsvereisten van de RGUS voldoen, kunnen toetreden tot een regeling die overeenkomt met de RGUS met in achtneming van de onderstaande voorwaarden en wijzigingen.

Dit uiteraard wel onder de in het protocol genoemde voorwaarde dat men voor 1 januari 1950 geboren moet zijn en dat de RGUS op het moment van deelname nog van kracht is. Ten aanzien van de RGUS is in onderdeel 2 van de rubriek RGUS bepaald dat ten opzichte van de universitaire regeling twee beperkingen gelden. In de eerste plaats moeten de deelnemers voor 1 april 2004 55 jaar of ouder zijn. In de tweede plaats moeten degenen die van de RGUS gebruik willen maken dit voor 1 april 2004 kenbaar maken.

3.3. De Raad stelt voorop dat de rechtbank uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat de RGUS een lokale regeling van de Universiteit Leiden is. De Raad beschouwt dit als een in rechte vaststaand gegeven, nu betrokkene geen hoger beroep heeft ingesteld en deze vaststelling van de rechtbank pas ter zitting heeft bestreden.

3.4. Voorts stelt de Raad vast dat betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden van de aanvullende regeling, omdat zij op 1 april 2004 de leeftijd van 55 jaar nog niet had bereikt. Met appellant, en anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat de voorwaarden van de aanvullende regeling op dit punt niet innerlijk tegenstrijdig zijn. Weliswaar kan de formulering van de aanvullende regeling tot enige verwarring leiden, nu hierin twee verschillende leeftijdsbeperkingen worden genoemd, maar dit laat zich hierdoor verklaren dat de beperking ten aanzien van de datum 1 januari 1950 volgt uit inhoud en strekking van de RGUS terwijl de beperking ten aanzien van de datum 1 april 2004 een nadere beperking betreft die specifiek is gericht op degenen die zijn overgegaan naar het AZL.

3.5. Voorts is de Raad, anders dan de rechtbank, met appellant van oordeel dat appellant bij de beoordeling van betrokkenes verzoek om toepassing van de RGUS wel de vraag betrokken heeft of er sprake was van bijzondere omstandigheden, die een uitzondering op de in de aanvullende regeling neergelegde voorwaarden zouden kunnen rechtvaardigen. Het advies van de Adviescommissie Rechtspositionele Bezwaren, waarnaar appellant ter motivering van zijn besluit verwijst, bevat immers een uitdrukkelijke overweging met betrekking tot de hardheidsclausule en het oordeel dat er in het geval van betrokkene geen bijzondere hardheid aanwezig is. De Raad onderschrijft dit door appellant ingenomen standpunt.

3.6. De Raad is van oordeel dat appellant tot zijn besluit heeft kunnen komen zonder in strijd te komen met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Anders dan betrokkene is de Raad van oordeel dat met de brief van februari 2001 geen zodanige verwachtingen bij betrokkene zijn gewekt dat dit een beroep op het vertrouwensbeginsel jegens appellant kan rechtvaardigen. Deze brief bevat geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging dat betrokkene op enigerlei wijze gebruik zou kunnen maken van de RGUS. Dit geldt te meer nu de RGUS dateert van 7 juni 2001, en derhalve van na voornoemde brief. Dat in deze brief in algemene zin wordt gesproken van de regeling bij de universiteit zoals die geldt op het moment van de gewenste ingangsdatum van het seniorenverlof, leidt niet tot een ander oordeel. De Raad merkt in dit verband op dat de brief van februari 2001 verwijst naar en een toelichting is op het protocol, waarin gesproken wordt van de op dat moment geldende seniorenregeling van de CAO NU en de daarop voortbouwende regelingen van de Universiteit.

4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt, de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen het besluit van 7 oktober 2004 alsnog ongegrond moet worden verklaard.

5. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mede uitstrekt tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegeven nieuwe besluit van 30 januari 2007. Gelet op het vorenoverwogene komt aan dat besluit de grondslag te ontvallen, zodat dat besluit dient te worden vernietigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 oktober 2004 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 30 januari 2007.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J. Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer, als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.