Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6975

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
07-2634 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het hoger beroep is nog slechts gelegen in het al dan niet toekennen van schadevergoeding. Afwijzing voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2634 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoekster] (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 maart 2007, 06/3928 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: college)

Datum uitspraak: 11 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoekster heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2007. Voor verzoekster is verschenen haar gemachtigde

F. Bruinsma. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H.J. Visser.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Verzoekster is tot 1 augustus 2002 werkzaam geweest bij de gemeente Utrecht. Met ingang van 22 april 1998 is aan haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, welk percentage met ingang van 28 oktober 1999 is gesteld op 80 tot 100. Een besluit van de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) om de uitkering met ingang van 15 april 2002 te verlagen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% is door het UWV niet gehandhaafd. Bij besluit van 29 januari 2004 is verzoekster ongewijzigd volledig arbeidsongeschikt geacht op en na 15 april 2002.

1.2. In verband met de verlaging van haar WAO-uitkering per 15 april 2002 en haar ontslag met ingang van 1 augustus 2002 is aan verzoekster een suppletie-uitkering toegekend op grond van hoofdstuk 11a van de Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Utrecht (hierna: ARU). Ingevolge artikel 11a:4 van de ARU komt de suppletie echter niet tot uitbetaling, indien de betrokkene een WAO-uitkering ontvangt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, zodat verzoekster, als gevolg van het ongewijzigd voortzetten van haar WAO-uitkering naar de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse op en na 15 april 2002, nadien geen aanspraak kon maken op een suppletie-uitkering. Bij besluit van 25 februari 2004 heeft het college de toekenning van de suppletie-uitkering ingetrokken. Daarnaast is van verzoekster bij besluit van 15 (dan wel 23) april 2004 een bedrag van € 6.463,04 teruggevorderd, zijnde het bedrag aan teveel betaalde suppletie-uitkering over de periode van 15 april 2002 tot en met 30 november 2003 dat niet kon worden verrekend met de alsnog aan verzoekster uitbetaalde WAO-uitkering. Het bezwaar tegen die terugvordering is door het college bij het bestreden besluit van 9 oktober 2006 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft dit besluit bij de aangevallen uitspraak vernietigd. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze Raad van 24 februari 2000 (LJN AA5418, TAR 2000, 50) was de rechtbank van oordeel dat het college de ten onrechte uitbetaalde suppletie slechts kon terugvorderen voor zover het bedrag aan WAO-uitkering waarop verzoekster alsnog aanspraak verkreeg, niet geringer was dan de onverschuldigd betaalde suppletie. Het college kon derhalve de suppletie tot het beloop van de alsnog uitbetaalde WAO-uitkering van verzoekster terugvorderen dan wel verrekenen. Tot terugvordering van het meerdere, in dit geval het in het bestreden besluit neergelegde bedrag van € 6.463,04, was het college naar het oordeel van de rechtbank niet bevoegd. Voorts heeft de rechtbank het namens verzoekster gedane verzoek om vergoeding van door haar geleden materiële en immateriële schade afgewezen.

2.2. Het college heeft in deze uitspraak berust en heeft op 6 mei 2007 een nieuw besluit genomen, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 15 april 2004 gegrond is verklaard en de terugvordering is komen te vervallen.

2.3. Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Naast enkele grieven van formele aard richten de grieven van verzoekster zich tegen het afwijzen van haar verzoek om schadevergoeding.

2.4. Ter onderbouwing van haar spoedeisend belang heeft verzoekster aangevoerd dat verder uitstel in de bodemprocedure zal leiden tot een sterke toename van de inmiddels opgelopen psychische schade als gevolg van de nu al meer dan vijf en een half jaar lopende procedures in bezwaar, beroep en hoger beroep.

3. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. De voorzieningenrechter constateert dat het belang van verzoekster in hoger beroep, nu de terugvordering als gevolg van het besluit van 6 mei 2007 is komen te vervallen, nog slechts is gelegen in het al dan niet toekennen van schadevergoeding.

3.3. De door verzoekster gestelde onrechtmatige gedragingen die zouden moeten leiden tot schadevergoeding, betreffen in hoofdzaak gedragingen van het UWV met betrekking tot de besluitvorming ter zake van verzoeksters aanspraken op een WAO-uitkering en slechts voor een klein gedeelte gedragingen van het UWV bij de, in mandaat namens het college, uitgevoerde suppletieregeling, welk mandaat overigens met ingang van 1 januari 2007 is komen te vervallen. Ook de eis van verzoekster om het UWV opdracht te geven verzoeksters gemachtigde inzage te geven in het (medische) dossier van verzoekster betreft het UWV als uitvoerder van de WAO. Zoals van de zijde van het college op de zitting is gesteld, en door verzoekster ook overigens is erkend, beschikt het college niet over die gegevens noch kan het geacht worden daarover te beschikken.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat de gevraagde voorziening slechts zeer gedeeltelijk betrekking heeft op de hier in geding zijnde besluiten.

Voor zover het verzoek wel daarop betrekking heeft, is de voorzieningenrechter, in aanmerking genomen dat er geen terugvordering meer resteert, niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht. Hierbij wordt opgemerkt dat een in een voorlopige voorzieningenprocedure gegeven oordeel slechts een voorlopig karakter draagt en niet het door verzoekster gewenste definitieve uitsluitsel kan geven.

3.5. Omdat aldus niet is voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, moet het verzoek om toepassing van die bepaling worden afgewezen.

4. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2007.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.W.J. Hospel.