Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6972

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
06/2770 WWB, 06/4600 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Hennepkwekerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2770 WWB

06/4600 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Breda van 30 maart 2006, 05/5126 en 27 juni 2006, 06/791 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J.C. Piet, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Piet. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout, werkzaam bij de gemeente Tilburg.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving ten tijde hier van belang een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een melding van de Regiopolitie Midden en West-Brabant dat op 4 oktober 2005 in (de schuur bij) de woning van appellante een niet in bedrijf zijnde hennepkwekerij is aangetroffen, alsmede 10 zakken warme potgrond, hennepplantjes en gedroogde hennepresten, heeft het Team Fraudebestrijding van de gemeente Tilburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is gebruik gemaakt van de gegevens van de politie, is informatie ingewonnen bij de energieleverancier betreffende het stroomverbruik van appellante en heeft appellante een verklaring afgelegd.

Op basis van de bevindingen van dit onderzoek, neergelegd in rapporten van 1 november 2005 en 2 november 2005, heeft het College bij besluit van 2 november 2005 (hierna: besluit 1) de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2005 beëindigd (lees: ingetrokken). Bij (afzonderlijk) besluit van 2 november 2005 (hierna: besluit 2) heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 8 maart 2005 tot en met 30 september 2005 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van haar teruggevorderd tot een bedrag van € 6.053,37.

Bij besluit van 15 december 2005 heeft het College het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Bij besluit van 29 december 2005 heeft het College het bezwaar tegen besluit 2 eveneens ongegrond verklaard. Het College heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft voldaan aan de op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) op haar rustende inlichtingenverplichting door geen mededeling te doen van de exploitatie van de hennepkwekerij en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van

15 december 2005 en 29 december 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst vast dat in het onderhavige geval de aan appellante verleende bijstand bij de primaire besluiten van 2 november 2005 met ingang van 8 maart 2005 respectievelijk 1 oktober 2005 is ingetrokken en dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de vroegste datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van de (primaire) intrekkingsbesluiten. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 8 maart 2005 tot en met 2 november 2005.

Vaststaat dat de politie op 4 oktober 2005 in de schuur bij de woning van appellante een niet in bedrijf zijnde hennepkwekerij heeft aangetroffen, die volgens de verklaring van appellante aan haar toebehoorde. Gelet op de omvang van de kwekerij en de aangetroffen apparatuur is de Raad van oordeel dat er sprake is geweest van een professionele kwekerij. Appellante heeft hiervan geen melding gemaakt bij het College.

Appellante stelt zich op het standpunt dat er geen grond bestaat voor de stelling van het College dat de kwekerij reeds op 8 maart 2005 in bedrijf was. Zij stelt slechts voorbereidingshandelingen te hebben getroffen om op bescheiden schaal hennep te gaan kweken.

De Raad overweegt dat appellante geen concrete en verifieerbare gegevens heeft verstrekt over de (aanvang van de) exploitatie van de kwekerij, het aantal oogsten en de inkomsten. Evenmin heeft zij een administratie bijgehouden. Appellante heeft hiermee een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen, te weten het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand, geheel voor haar rekening dienen te blijven. Het College is naar het oordeel van de Raad niet buiten de grenzen van de zorgvuldigheid getreden door wat de aanvang van de exploitatie betreft uit te gaan van de datum 8 maart 2005. De Raad heeft daarbij laten wegen dat het gelet op de aangetroffen gedroogde resten van hennepplanten op de zolder van de woning van appellante aannemelijk is dat er in het verleden is geoogst. Voorts blijkt uit de door Essent verstrekte gegevens dat er in de periode van

15 februari 2005 tot 4 oktober 2005 sprake is van een excessieve toename van het stroomverbruik door appellante ten opzichte van de daarvoor gelegen perioden. Op basis van de verbruiksgegevens en het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij onder kunstlicht, standaardberekeningen en normen,” van het Bureau ontnemingswetgeving van het Openbaar Ministerie heeft het College, uitgaande van een kweekcyclus van tien weken, schattenderwijs vastgesteld dat er drie hennepoogsten hebben plaatsgevonden. Van de zijde van appellante zijn geen gegevens ingebracht waaruit blijkt dat dit standpunt niet als juist kan worden aangemerkt. Dat de hoge energiekosten voor een belangrijk deel zijn veroorzaakt door het gebruik van elektrische kachels in verband met stucadoorswerkzaamheden en het in het verleden doorgeven van onjuiste, te lage meterstanden, zoals appellante heeft gesteld, acht de Raad niet geloofwaardig nu begin van enig bewijs van deze stellingen ontbreekt.

Nu appellante over de exploitatie van de kwekerij, de omvang van de werkzaamheden en het daarmee verworven inkomen geen concrete en verifieerbare gegevens heeft overgelegd, is de Raad voorts van oordeel dat ook in de te beoordelen periode vanaf de ontdekking van de hennepkwekerij niet kan worden vastgesteld of er recht op bijstand bestaat.

Op grond van het vorenstaande heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de gehele periode van 8 maart 2005 tot en met 2 november 2005 niet kan worden vastgesteld. Dit betekent dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de bijstand van appellante met ingang van 8 maart 2005 respectievelijk 1 oktober 2005 in te trekken. In zijn uitspraak van 20 februari 2007, LJN AZ9363, heeft de Raad reeds tot uitdrukking gebracht dat het beleid dat het College voert voor de uitoefening van zijn bevoegdheid neergelegd in artikel 54, derde lid, van de WWB niet buiten de grenzen van een redelijke beleids-bepaling ligt, voor zover het gaat om gevallen waarin sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting. De Raad stelt vast dat de besluiten van 15 december 2005 en 19 december 2005 in overeenstemming zijn met het beleid van het College. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het beleid had moeten afwijken.

Met het vorenstaande is tevens gegeven dat het College bevoegd was op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tot terugvordering van de over de periode van 8 maart 2005 tot en met 30 september 2005 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.053,37 over te gaan. Het College hanteert, voor zover van belang, het beleid dat in gevallen van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingen-verplichting steeds tot terugvordering van de als gevolg daarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand wordt overgegaan. Daarvan wordt afgezien indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 100,00 of wanneer daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. In de eerdergenoemde uitspraak heeft de Raad reeds uitgesproken dat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. De Raad stelt vervolgens vast dat het besluit van 20 december 2005 ter zake van de terugvordering in overeenstemming is met het beleid van het College. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van het beleid had moeten afwijken.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.G. Treffers en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.