Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6967

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
05-6830 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen onjuiste voorlichting over het financieel nadeel deeltijd-ontslag: aanzienlijk lagere FPU-uitkering en verminderde pensioenopbouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6830 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 oktober 2005, 05/126 AW (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helden (hierna: college)

Datum uitspraak: 23 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2007. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P. Lucassen, werkzaam bij de gemeente Helden.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren [in] 1944, was werkzaam bij de gemeente Helden. Eind 1999 heeft appellant verzocht om aan hem in verband met zijn wens om gedeeltelijk met FPU te gaan, met ingang van 1 januari 2000 deeltijd- ontslag te verlenen en de aanvulling op grond van de zogenoemde FPU-Gemeenten (hierna: FPU-G), als bedoeld in het per 1 januari 2000 ingevoerde hoofdstuk 5a van de CAR/UWO, toe te kennen. Dit verzoek is toegewezen en heeft ertoe geleid dat aan appellant voor 25% van zijn dienstverband eervol ontslag is verleend en appellant gedeeltelijk gebruik heeft gemaakt van de regeling FPU van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) aangevuld met de zogenoemde aanvulling werkgever op grond van de FPU-G.

1.2. Bij schrijven van 6 juli 2004 heeft appellant verzocht de schade te vergoeden die hij stelt te hebben geleden in verband met zijn keuze om op 1 januari 2000 gedeeltelijk gebruik te maken van de FPU-regeling.

1.3. Bij besluit van 11 augustus 2004 heeft het college het verzoek van appellant afgewezen op de grond dat geen sprake is van onrechtmatig handelen. Dit besluit is na door appellant gemaakt bezwaar bij besluit van 21 december 2004 gehandhaafd.

1.4. Met ingang van 1 januari 2005 is aan appellant op zijn verzoek voor het resterende deel van het dienstverband eervol ontslag verleend en heeft hij volledig gebruik gemaakt van de FPU-regeling van het ABP en de FPU-G.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 21 december 2004 ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat hij financieel nadeel heeft geleden omdat hij onjuist is voorgelicht door het college dan wel door het onder verantwoordelijkheid van het college werkzame hoofd van de afdeling Personeel en Organisatie D.. Deze heeft volgens appellant gezegd dat de deeltijd-FPU nauwelijks gevolgen zou hebben voor de hoogte van de volledige FPU-uitkering op 60-jarige leeftijd. Appellant ziet zich door zijn keuze om op 55-jarige leeftijd al voor 25% gebruik te maken van de FPU-regeling echter geconfronteerd met een aanzienlijk lagere FPU-uitkering en verminderde pensioenopbouw. Als appellant dit geweten had, dan had hij pas per 1 januari 2005 (volledig) ontslag genomen. Het college had appellant van deze consequenties op de hoogte moeten stellen bij de voorbereiding van zijn verzoek om deeltijd FPU-ontslag.

3.2. Het college ontkent dat appellant onjuist is voorgelicht over de gevolgen van de deeltijd-FPU voor de hoogte van de volledige FPU-uitkering in de periode vanaf 1 januari 2005. Mogelijk zou kunnen worden gesteld dat het memo van D. van 23 augustus 1999 niet volledig is, maar in dit memo wordt uitdrukkelijk een voorbehoud gemaakt. Daarbij bevestigen de door appellant overgelegde kladberekeningen dat de consequenties voor de hoogte van de volledige FPU-uitkering met appellant zijn besproken. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van enig onrechtmatig handelen.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad stelt voorop dat het verzoek van appellant ziet op de schade die veroorzaakt zou zijn doordat het college hem in 1999 onjuist zou hebben voorgelicht over de consequenties van de deeltijd-FPU. De vraag of het college nadien al dan niet onjuiste informatie zou hebben verstrekt laat de Raad buiten beschouwing, nu dit niet van invloed is geweest op de keuze van appellant in 1999 om gebruik te maken van de deeltijd-FPU. Verder stelt de Raad vast dat blijkens het verhandelde ter zitting tussen partijen niet (meer) in geding is dat appellant juist is voorgelicht over de consequenties van de deeltijd-FPU voor de hoogte van het ouderdomspensioen.

4.2. De grief van appellant dat hij onjuist zou zijn voorgelicht over de consequenties van de deeltijd-FPU voor zijn volledige FPU, treft geen doel. In het memo van 23 augustus 1999 is aangegeven dat het percentage van de aanvulling FPU-G eenmalig wordt vastgesteld en hoger is naarmate de leeftijd van de eerste gebruikmaking hoger is. Ook het uitkeringspercentage van de FPU is afhankelijk van de leeftijd waarop wordt uitgetreden. Dit betekent dat een uittreding op latere leeftijd tot een hogere totaaluitkering zal leiden. Verder blijkt uit de door appellant in hoger beroep ingebrachte kladberekeningen van de hand van D. en de door appellant ter zitting gegeven toelichting, dat het door D. voorgerekende percentage van het bruto-inkomen overeenkomt met het percentage dat appellant thans daadwerkelijk ontvangt. Appellant is immers voorgerekend dat hij bij een volledige FPU op 60-jarige leeftijd een uitkering van 67,986% van het bruto-inkomen zou ontvangen. Daarmee staat voor de Raad vast dat appellant niet door foutieve informatie op het verkeerde been is gezet bij zijn keuze gebruik te maken van de deeltijd-FPU.

4.3. De grief dat appellant onvolledig zou zijn voorgelicht kan evenmin slagen. Dat het college appellant in het memo van 23 augustus 1999 noch in andere stukken expliciet heeft voorgelicht over het percentage van de FPU-uitkering indien appellant géén gebruik zou hebben gemaakt van de deeltijd-FPU, maar tot 1 januari 2005 volledig zou hebben doorgewerkt, kan niet worden aangemerkt als een onrechtmatige gedraging. De Raad heeft in de tekst en de strekking van het memo van 23 augustus 1999 niet de suggestie gevonden dat de informatie uitputtend bedoeld was. Het had dan ook op de weg van appellant gelegen zich voorafgaand aan zijn keuze voor deeltijd-FPU te laten informeren over de hoogte van de FPU-uitkering indien hij géén gebruik zou maken van de deeltijd-FPU. Nu appellant tijdens de zitting desgevraagd heeft bevestigd hierover geen informatie te hebben ingewonnen, kan appellant zich niet met succes op onwetendheid ter zake beroepen.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en A.A.M. Mollee en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) O.C. Boute.