Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6966

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-05-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
06-1429 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1429 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2006, 05/354 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel (hierna: college)

Datum uitspraak: 24 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en mr. P. Bellod, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W.C. van Kleef, verbonden aan Van Kleef & Partners B.V. te Boskoop.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Nadat appellant achtereenvolgens als bode en als medewerker bij de afdeling Plantsoenen van de gemeente [naam gemeente] werkzaam was geweest, is hij in verband met medische problemen met ingang van 1 januari 1999 geplaatst als aankomend financieel administratief assistent bij de deelsector Administratie van de sector Middelen van diezelfde gemeente.

1.2. Bij besluit van 24 oktober 2003 heeft het college appellant met ingang van 1 januari 2004 eervol ontslag verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken als bedoeld in artikel 8:6 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO).

1.3. Nadat - in verband met het advies van de Personeelkamer van de gemeentelijke commissie voor de bezwaar- en beroepschriften over het door appellant tegen het ontslagbesluit gemaakte bezwaar - was onderzocht of er herplaatsingsmogelijkheden voor appellant bestonden, heeft het college dat bezwaar bij het bestreden besluit van

22 december 2004 ongegrond verklaard met dien verstande dat de ingangsdatum van het ontslag werd bepaald op 1 januari 2005 en appellant een schadeloosstelling werd toegekend bestaande uit een aanvulling op zijn bovenwettelijke werkloosheidsuitkering als bedoeld in hoofdstuk 10a van de CAR/UWO.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen door partijen in hoger beroep is aangevoerd het volgende.

3.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de conclusie van het college dat appellant ongeschikt is voor de door hem vervulde functie, rust op een toereikende feitelijke grondslag. De Raad kan ook in grote lijnen instemmen met de motivering die de rechtbank voor dit oordeel heeft gegeven. Hij merkt nog op dat op 22 april 2003 een ten aanzien van appellant opgemaakte beoordeling over het voorafgaande jaar is vastgesteld waarin als samenvattend oordeel over het functioneren van appellant in zijn toenmalige functie is vermeld: volstrekt onvoldoende. De beoordeling houdt verder onder meer in dat appellant niet zelfstandig kan werken, geen verbanden kan leggen en in kennis tekort schiet; ook heeft hij moeite met het werken in geautomatiseerde bestandsadministraties.

Aangezien appellant tegen deze beoordeling geen bezwaar heeft gemaakt, dient deze hier als een in rechte vaststaand gegeven te gelden. Reeds hierom komt, anders dan appellant heeft gesteld, ook geen betekenis toe aan de toelichting bij het Beoordelingsreglement 1991 voor zover daarin is aangegeven dat wanneer geen beoordeling wordt vastgesteld de betrokkene geacht wordt goed te hebben gefunctioneerd.

3.2. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat appellant in meerdere gesprekken, waaronder een functioneringsgesprek, onder de aandacht is gebracht dat de wijze waarop hij zijn taken verrichtte (ver) onder de maat was. Voorts heeft een collega hem vanaf 2001 intensief begeleid. Ook heeft appellant in 2002 via de gemeente hulp gekregen van een externe coach. Een en ander heeft evenwel niet geleid tot noemenswaardige verbeteringen bij de uitoefening door appellant van zijn functie, hetgeen ook kan blijken uit de beoordeling van april 2003.

3.3. De Raad overweegt verder dat het college in dit geval niet op grond van enige wettelijke bepaling verplicht was een herplaatsingsonderzoek te verrichten alvorens over te kunnen gaan tot ontslagverlening wegens ongeschiktheid. Het college heeft een dergelijk onderzoek aanvankelijk ook achterwege gelaten. Gelet op de opmerkingen ter zake in het onder 1.3. vermelde advies van de Personeelkamer heeft het college niettemin uit een oogpunt van zorgvuldigheid nog onderzocht of er herplaatsingsmogelijkheden voor appellant aanwezig waren. Daartoe heeft het college een deskundige van een extern bureau voor werving en selectie ingeschakeld. Dit bureau heeft op verzoek van het college allereerst een psychologisch onderzoek naar appellant doen instellen. Vervolgens is zowel binnen als buiten de gemeente bezien of er zich vacatures voordeden van voor appellant geschikte functies, waarbij de nadruk lag op het zoeken van externe vacatures.

De herplaatsingsinspanningen hebben evenwel niet tot resultaat geleid. Uit hetgeen appellant heeft aangevoerd over interne mogelijkheden kan de Raad niet opmaken dat bij de gemeente wel voor hem acceptabele vacatures aanwezig waren. Weliswaar heeft appellant ter zitting gesteld dat in juli 2005 een nieuwe bode is aangesteld, maar niet aannemelijk is dat dit de vervulling betrof van een vacature die al bestond voordat het bestreden besluit werd genomen.

3.4. Waar appellant heeft gesteld dat indien het ontslag in stand blijft hij een hogere financiƫle tegemoetkoming behoort te krijgen dan hem in feite is verleend, overweegt de Raad dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft overwogen dat deze kwestie niet in geschil is omdat appellant hiertegen geen grieven heeft aangevoerd. Uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank blijkt ook dat de gemachtigde van appellant aldaar heeft medegedeeld dat appellant geen grieven heeft tegen de hoogte van de aanvulling op zijn werkloosheidsuitkeringen.

3.5. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.