Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6964

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
06/1240 WWB, 06/4166 WWB, 06/6186 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1240 WWB

06/4166 WWB

06/6186 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 januari 2006, 04/6065 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 22 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J. Wattilete, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Betrokkene ontving sedert 1 december 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

De Afdeling Controle & Opsporing van de Sociale Dienst van de gemeente Amsterdam heeft betrokkene op 8 juni 2004 een onaangekondigd huisbezoek gebracht ter beoordeling van de rechtmatigheid van de aan haar verleende bijstand. In dat kader heeft onder meer betrokkene een verklaring afgelegd omtrent haar woonsituatie en is een onderzoek gedaan in de woning van betrokkene. De bevindingen van het onderzoek alsmede de verklaring van betrokkene zijn neergelegd in een rapport van 11 juni 2004. Deze onderzoeksgegevens zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van

21 juni 2004 de bijstand van betrokkene ingaande 8 juni 2004 te beëindigen (lees: in te trekken). De besluitvorming berust op de overweging dat betrokkene, zonder daarvan aan het College melding te hebben gemaakt, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [O.].

Bij besluit van 30 september 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 30 september 2004 gegrond verklaard en dit besluit wegens een ondeugdelijke motivering vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor het standpunt van appellant dat [O.] zijn hoofdverblijf in de woning van betrokkene had. Voorts heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzocht hoe de woonsituatie van [O.] ten tijde in geding was op het door hem opgegeven woonadres waar hij volgens de Gemeentelijk basisadministratie ook stond ingeschreven.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 27 juni 2006 het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard en aan betrokkene over de periode van 8 juni 2004 tot en met 27 oktober 2004 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20% onder verrekening van haar inkomsten.

Dit besluit is bij nader besluit van 24 oktober 2006 weer ingetrokken, waarbij tevens aan betrokkene over de periode van

8 juni 2004 tot en met 31 oktober 2004 bijstand is verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20% onder verrekening van de opnieuw berekende inkomsten.

Bij brief van 12 februari 2007 heeft mr. Wattilete de Raad medegedeeld dat het besluit van 24 oktober 2006 geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst vast dat appellant de intrekking van de bijstand ingaande 8 juni 2004 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 8 juni 2004 tot en met 21 juni 2004.

De vraag is of betrokkene ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [O.]. Daarbij dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB. Ingevolge deze bepaling dient beoordeeld te worden of betrokkene en [O.] hun hoofdverblijf hebben gehad in dezelfde woning.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de in de woning van betrokkene aangetroffen situatie er in voldoende mate is aangetoond dat [O.] zijn hoofdverblijf had op het adres van betrokkene. Daarbij heeft appellant gewezen op een aangetroffen “forse hoeveelheid kleding” van [O.], terwijl betrokkene eerder zou hebben verklaard dat zij geen kleding van [O.] in huis had liggen. Verder is gewezen op aangetroffen scheergerei, herenondergoed en een koffertje met papieren van [O.], waarvan hij weigerde het nader te laten onderzoeken.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de voorhanden gegevens onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van appellant dat [O.] ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had op het adres van betrokkene. De Raad acht in dit verband van belang dat zowel betrokkene als [O.] van meet af aan hebben verklaard dat laatstgenoemde weliswaar regelmatig in verband met de kinderen op het adres van betrokkene langs kwam, doch dat hij daar niet woonde en er evenmin sliep. Voorts acht de Raad niet aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen herenkleding en herenondergoed van [O.] waren. De Raad acht in dit verband van belang dat de handgeschreven weergave van onder meer de door [O.] op 8 juni 2004 afgelegde verklaring niets zegt over de vraag aan wie de aangetroffen kledingstukken toebehoren. Op dit punt, maar ook op andere punten, komt de handgeschreven weergave van de verklaring niet overeen met de door de Sociale Dienst uitgewerkte verklaring waarin staat dat [O.] zou hebben gezegd dat hij op het adres van betrokkene kleding zou hebben. De Raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat er onvoldoende waarborgen zijn dat de in het rapport van

11 juni 2004 weergegeven beschrijving van de aangetroffen situatie een juiste zakelijke weergave is van hetgeen met betrekking tot de woonsituatie van betrokkene door de handhavingspecialist van de Afdeling Controle & Opsporing is waargenomen. Voorts acht de Raad de aanwezigheid van het koffertje van [O.] in de woning van betrokkene, mede gelet op de verklaring die hij hierover heeft gegeven, onvoldoende om aan te nemen dat [O.] het merendeel van de tijd bij betrokkene verbleef. De Raad overweegt ten slotte dat appellant heeft nagelaten een onderzoek in te stellen naar de woonsituatie op het adres van [O.], en dat er geen observaties zijn verricht.

Het voorgaande betekent dat het besluit van 30 september 2004 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op een onvoldoende draagkrachtige motivering berust. De rechtbank heeft dit besluit dan ook terecht vernietigd.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Met betrekking van het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak door appellant genomen besluit van 24 oktober 2006 overweegt de Raad dat hij de brief van mr. Wattilete van 12 februari 2007 in die zin leest dat betrokkene geen bezwaren heeft tegen de verrekening van de inkomsten met de bijstand. Nu met dat besluit ook overigens geheel wordt tegemoet gekomen aan de bezwaren van betrokkene behoeft dat besluit door de Raad niet bij zijn beoordeling te worden betrokken.

De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat van de gemeente Amsterdam een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en G. van der Wiel en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) S. van Ommen.