Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6961

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
06-1097 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opgelegde strafontslag niet onevenredig aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1097 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 januari 2006, 04/2139 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 7 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat te ’s-Gravenhage heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Hehenkamp, werkzaam bij het ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als medior penitentiair inrichtingswerker bij de penitentiaire inrichting [naam district].

1.2. Op 10 juni 2004 heeft het Bureau Integriteit en Veiligheid (BIV) van het ministerie van Justitie een rapport uitgebracht van een onderzoek naar door appellant mogelijk gepleegd plichtsverzuim.

1.3. Nadat appellant vervolgens van het voornemen daartoe in kennis was gesteld en in de gelegenheid was gesteld daarop te reageren, heeft de minister appellant bij besluit van 10 augustus 2004 met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement met ingang van 1 januari 2005 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Als door appellant gepleegd plichtsverzuim is in dit besluit vermeld het toepassen van meer dan toelaatbaar geweld in een conflictsituatie tijdens de dienstuitoefening met de gedetineerde M op 20 februari 2004.

Bij het bestreden besluit van 22 oktober 2004 heeft de minister na door appellant gemaakt bezwaar het ontslagbesluit gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellant heeft gesteld dat het primaire besluit van 10 augustus 2004 onbevoegd door de algemeen directeur van de inrichting namens de minister is genomen, omdat die directeur in strijd met artikel 4, derde lid, van het desbetreffende mandaatbesluit omtrent zijn voornemen tot het opleggen van het strafontslag geen schriftelijk advies heeft gevraagd van de Dienst Uitvoering Beheer en Advisering (DUBA).

Dienaangaande overweegt de Raad dat er over het strafontslag van appellant weliswaar, naar is gesteld, mondeling contact met de DUBA is geweest maar dat een schriftelijk advies ter zake is gevraagd noch verkregen. Dit betekent dat in dit geval aan een in het mandaatbesluit opgenomen voorwaarde voor het uitoefenen van de bevoegdheid tot het namens de minister opleggen van strafontslag niet is voldaan. Het bestreden besluit is evenwel namens de minister genomen door de sectordirecteur Gevangeniswezen. Blijkens het op deze directeur van toepassing zijnde mandaatbesluit geldt voor hem niet dat hij omtrent het strafontslag advies moet vragen aan de DUBA, onverschillig of het gaat om het nemen van een primair besluit dan wel een besluit op bezwaar. Nu de sectordirecteur bevoegd heeft beslist kan het aan het primaire besluit klevende bevoegdheidsgebrek volgens vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 10 oktober 2002, LJN AE8966 en TAR 2003, 39) geacht worden te zijn geheeld.

3.2. De Raad acht voorts met de rechtbank op grond van de door het BIV afgenomen verklaringen van getuigen, in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk dat appellant de gedetineerde M op 20 februari 2004 met de kop van een bezemsteel meerdere malen met (grote) kracht in de buik heeft gestoten en dat het appellant was die als eerste geweld heeft gebruikt. Aannemelijk is verder dat appellant M hierna bij zijn nek heeft gepakt en op de vloer in een wurg- of houdgreep heeft genomen zonder dat hiervoor een directe aanleiding bestond. De Raad verwijst hiertoe naar de overwegingen die in de aangevallen uitspraak aan de getuigenverklaringen zijn gewijd en hetgeen de rechtbank daaruit heeft afgeleid. De Raad kan hiermee (op hoofdlijnen) instemmen. Appellant heeft in hoger beroep geen feiten of omstandigheden genoemd die aan de overwegingen van de rechtbank afbreuk kunnen doen.

De Raad merkt nog op dat het gerechtshof te Amsterdam blijkens zijn arrest van 1 maart 2006 wettig en overtuigend bewezen acht dat appellant M op 20 februari 2004 opzettelijk heeft mishandeld door hem met een bezemsteel hard in de maagstreek te steken en bij M hardhandig een verwurging aan te leggen.

3.3. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat appellant ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd. Het appellant opgelegde strafontslag acht de Raad niet onevenredig aan de ernst van dit verzuim. Appellant heeft gehandeld in strijd met de voor hem geldende instructie dat onnodig geweld moet worden vermeden. Evenals de minister is de Raad van oordeel dat de moeilijke omstandigheden waarin (soms) door penitentiaire inrichtingswerkers moet worden gewerkt allerminst een rechtvaardiging kunnen opleveren voor het door appellant gebruikte geweld. Weliswaar sprak M mogelijk in wat heftige bewoordingen tegen appellant omdat hij een beperkte gunst van hem wilde verkrijgen, die appellant niet wilde verlenen, maar van gewelddadigheid was daarbij blijkens de getuigenverklaringen in het geheel geen sprake. Voor zijn oordeelsvorming acht de Raad ook van belang dat appellant bij besluiten van achtereenvolgens

22 december 1997 en 10 december 2001 voorwaardelijk ontslag was verleend. Aan dit laatste ontslag lag fysiek geweld jegens het afdelingshoofd ten grondslag. De minister heeft dit eerdere plichtsverzuim bij het thans aan de orde zijnde strafontslag mogen laten meewegen.

3.4. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.