Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6955

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
05-6446 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag: zeer vertrouwelijke informatie betreffende een grootschalig rechercheonderzoek aan de partner doorgegeven, via wie deze informatie uiteindelijk bij één van de hoofdverdachten is terechtgekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/128
ABkort 2007/375
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6446 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 september 2005, 04/5613 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 23 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.M. Terlingen, advocaat te Amsterdam. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als generalist bij de politieregio Amsterdam-Amstelland in de rang van hoofdagent.

1.2. Bij brief van 2 februari 2004 heeft de korpsbeheerder appellant zijn voornemen kenbaar gemaakt hem de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. Hij heeft daarbij medegedeeld het voldoende aannemelijk te achten dat appellant zeer vertrouwelijke informatie betreffende een grootschalig rechercheonderzoek aan zijn partner heeft doorgegeven, via wie deze informatie uiteindelijk bij één van de hoofdverdachten is terechtgekomen. Hierdoor werd het onderzoek zeer ernstig gefrustreerd. Voorts heeft appellant actief en zonder overleg met zijn leidinggevenden gegevens over personen in de politiesystemen nagetrokken voor andere doeleinden dan waarvoor die zijn bedoeld. Appellant heeft aldus ook zijn ambtseed geschonden.

1.3. Nadat appellant zijn zienswijze ten aanzien van dit voornemen had gegeven, heeft de korpsbeheerder hem bij besluit van 27 april 2004 op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie, met onmiddellijke ingang ontslagen.

Bij het bestreden besluit van 30 september 2004 heeft de korpsbeheerder het bezwaar van appellant tegen dit ontslagbesluit gegrond verklaard en dit besluit gewijzigd in een voorwaardelijk disciplinair ontslag. De korpsbeheerder heeft hierbij het door de desbetreffende hoor- en adviescommissie ter zake uitgebrachte advies en de daaraan ten grondslag liggende motivering overgenomen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Op 7 december 2002 is een onderzoeksteam van de politieregio een onderzoek begonnen naar de diefstal van twee schilderijen die een nationaal erfgoed vertegenwoordigen. Een hoofdverdachte in dit onderzoek was D.

Appellant was niet bij dit onderzoek betrokken maar vernam ervan en deelde, naar hij heeft erkend, vervolgens aan zijn partner B mee dat er onderzoek naar D werd gedaan. B maakte haar vriendin T bekend met dit gegeven. T, die bevriend was met W, zijnde de vriendin van D, heeft daarop W van dit gegeven op de hoogte gesteld.

3.2. De daarop volgende dag heeft D naar het politiebureau gebeld en gezegd dat als het nodig was, hij langs zou komen maar dat men zijn vriendin met rust moest laten. De Raad is met de korpsbeheerder van oordeel dat dit telefoontje van D het aannemelijk maakt dat D er door W op is gewezen dat er een strafrechtelijk onderzoek tegen hem liep. Het onderzoek tegen D is toen geschorst en, naar de korpsbeheerder ter zitting onweersproken heeft aangevoerd, pas weer voortgezet toen er nieuwe bewijsmiddelen tegen D waren verkregen.

3.3. Met het verstrekken van bedoelde informatie aan zijn partner heeft appellant gehandeld in strijd met de voor hem geldende plicht onderzoeksgegevens strikt vertrouwelijk te houden en onder geen beding naar buiten te brengen.

3.4. Appellant heeft verder erkend dat hij gegevens over D en W in de politiesystemen heeft nagetrokken, dit zonder dat hij daartoe gerechtigd was omdat hij buiten het onderzoek stond. De persoonlijke redenen die appellant voor zijn handelwijze heeft opgevoerd kunnen hiervoor geenszins als verontschuldiging dienen.

3.5. Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat appellant onmiskenbaar plichtsverzuim heeft gepleegd en dat dit een disciplinaire bestraffing rechtvaardigt.

3.6. Bij het bestreden besluit is het onvoorwaardelijke ontslag omgezet in een voorwaardelijk ontslag. Daartoe is overwogen dat het zeer aannemelijk is dat appellant met het geven van de informatie slechts beoogde zijn partner voor D te waarschuwen en dat hij het onderzoek niet heeft willen frustreren of de verdachte heeft willen bevoordelen.

3.7. Naar het oordeel van de Raad is de appellant uiteindelijk opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim. De Raad wijst er in dit verband op dat appellant wist dat zijn partner bevriend was met T en dat T een relatie had met de broer van W, van welke laatste appellant bekend was dat zij de vriendin van D was. Hoezeer appellant de informatie over het onderzoek naar D wellicht met de beste bedoelingen aan zijn partner heeft doorgegeven, niet ontkend kan worden dat hij daarmee een risico nam dat grote gevolgen voor (het welslagen van) het onderzoek tegen D zou kunnen hebben. Dat appellant het bestaan van dit risico ook heeft beseft blijkt uit zijn verklaring dat hij zijn partner uitdrukkelijk gevraagd heeft er met niemand over te praten. Niettemin heeft genoemd risico zich vervolgens verwezenlijkt.

3.8. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K. Zeilemaker als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) R.A. Huizer.

Q.