Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6891

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
06/1698 WWB + 07/1238 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwevenheid. Mede in de beoordeling betrekken. College niet bevoegd te beslissen op bezwaar.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1698 WWB

07/1238 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’-Hertogenbosch van 27 januari 2006, 05/3021 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft aan de Raad gezonden de besluiten van 19 april 2006, 27 juni 2006 en 18 september 2006.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hest. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.M. van den Boom en S. van den Hurk, werkzaam bij de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1 januari 1992 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

Op 25 september 2001 ontving appellante uit een nalatenschap van haar oom [naam oom appellante] (hierna: [naam oom appellante]) een bedrag van f 52.388,81 op haar bankrekening. Dit gegeven vormde voor het College aanleiding bij besluit van 13 december 2001 de bijstand van appellante met ingang van 19 juni 2000 (de datum van overlijden van [naam oom appellante]) in te trekken met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Bij datzelfde besluit heeft het College de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 19 juni 2000 tot 1 oktober 2001 tot een bedrag van f 27.082,81 met toepassing van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 25 februari 2002 heeft het College appellante wederom bijstand toegekend met ingang van 17 januari 2002.

Bij besluit van 23 april 2002 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 december 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 3 december 2002, reg. nr. 02/1287 NABW, het tegen het besluit van 23 april 2002 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 april 2002 vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De Raad heeft bij uitspraak van 29 maart 2005, reg.nr. 03/162 NABW, de uitspraak van de rechtbank bevestigd voorzover aangevochten, behoudens voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 23 april 2002 wat de intrekking betreft in stand zijn gelaten, het beroep van appellante in zoverre gegrond verklaard en het besluit van 13 december 2001 herroepen voorzover dit ziet op de intrekking.

Bij brief van 13 april 2005 heeft appellante het College verzocht om uitbetaling van bijstand over de periode vanaf 1 oktober 2001 tot 17 januari 2002. Bij brief van 26 mei 2005 heeft het College appellante meegedeeld dit verzoek niet te honoreren. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat uit de uitspraak van de Raad van 29 maart 2005 niet voortvloeit dat het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 oktober 2001 tot 17 januari 2002 is herleefd.

Bij brief van 3 juni 2005 heeft appellante tegen de brief van 26 mei 2005 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 9 september 2005 heeft het College appellante meegedeeld dat haar brief van 3 juni 2005 buiten behandeling wordt gelaten omdat de brief van het College van 13 april 2005 niet op rechtsgevolg is gericht.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het College bij de brief van 9 september 2005 heeft geweigerd te beslissen op het bezwaar van appellante tegen de brief van 26 mei 2005, dat deze weigering gelet op het bepaalde in artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden gelijkgesteld met - in dit geval - een besluit op bezwaar en dat het College de brief van appellante van 3 juni 2005 ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de brief van het College van 26 mei 2005, gelet op de omstandigheid dat de Raad zich in zijn uitspraak van 29 maart 2005 niet heeft uitgelaten over het recht op bijstand van appellante over de periode vanaf 1 oktober 2001, op rechtsgevolg is gericht en dient te worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat uit het feit dat de Raad bij zijn uitspraak van 29 maart 2005 het besluit van 13 december 2001, voorzover dit ziet op de intrekking, heeft herroepen voortvloeit dat appellante met ingang van 19 juni 2000 weer recht op bijstand heeft. Gelet op die overwegingen heeft de rechtbank - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 september 2005 vernietigd, bepaald dat het College een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en het verzoek om vergoeding van wettelijke rente afgewezen.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voorzover de rechtbank daarbij heeft overwogen dat de Raad zich in zijn uitspraak van 29 maart 2005 niet heeft uitgelaten over het recht op bijstand van appellante over de periode vanaf 1 oktober 2001.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het College bij besluit van 19 april 2006 met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Wet werk en bijstand (WWB) de kosten van bijstand over de periode van 1 oktober 2001 tot 17 januari 2002 teruggevorderd op de grond dat het vermogen van appellante gedurende die periode meer bedroeg dan het op haar van toepassing zijnde vrij te laten vermogen. Het College heeft daarbij overwogen dat de terugvordering geen daadwerkelijke terugbetaling tot gevolg heeft omdat over de betreffende periode geen kosten van bijstand zijn gemaakt.

Vervolgens heeft het College bij besluit van 27 juni 2006 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 mei 2005 en bij besluit van 18 september 2006 het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 19 april 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften, overwogen dat appellante geen recht heeft op bijstand over de periode van 1 oktober 2001 tot 17 januari 2002 omdat haar vermogen de grens van het op haar van toepassing zijnde vrij te laten vermogen overschrijdt, dat uit de uitspraak van de Raad van 29 maart 2005 en uit de aangevallen uitspraak voortvloeit dat intrekking (met terugwerkende kracht) van de bijstand van appellante niet mogelijk is en dat met de terugvordering van de kosten van bijstand over de genoemde periode met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB wordt bereikt dat geen uitbetaling van bijstand over die periode hoeft plaats te vinden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Omvang van het geding

De Raad merkt het besluit van 27 juni 2006, waarbij het College ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 mei 2005, aan als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Awb mede in de beoordeling moet worden betrokken.

De Raad overweegt voorts dat de bijzondere omstandigheden van het geval aanleiding geven om het besluit van 19 april 2006 op voet van de artikelen 6:18, eerste lid, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb eveneens in de beoordeling te betrekken. Hij heeft daarbij betekenis gehecht aan de omstandigheid dat het besluit van 19 april 2006 betrekking heeft op dezelfde periode waarop de besluiten van 26 mei 2005 en 27 juni 2006 zien en de verwevenheid van de geschilpunten. Gelet hierop was het College niet bevoegd te beslissen op het door appellante tegen het besluit van 19 april 2006 gemaakte bezwaar. De Raad zal dan ook het besluit van 18 september 2006 vernietigen.

Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak

De Raad heeft in zijn uitspraak van 29 maart 2005 geoordeeld dat het College op grond van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw was gehouden over te gaan tot terugvordering van appellante van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 19 juni 2000 tot 1 oktober 2001. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is bij de toepassing van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw geen plaats voor een voorafgaand herzienings- of intrekkingsbesluit. In overeenstemming met die vaste rechtspraak heeft de Raad in zijn uitspraak van 29 maart 2005 het besluit van 13 december 2001, voorzover daarbij de bijstand van appellante met ingang van 19 juni 2000 is ingetrokken, herroepen. Gelet op vorenstaande stelt de Raad met de rechtbank in de aangevallen uitspraak vast dat hij in zijn uitspraak van 29 maart 2005 geen oordeel heeft gegeven over het recht op bijstand van appellante over de periode vanaf 1 oktober 2001.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

Het beroep tegen het besluit 27 juni 2006

Bij zijn uitspraak van 29 maart 2005 heeft de Raad het besluit om de bijstand van appellante met ingang van 19 juni 2000 in te trekken, herroepen. Deze herroeping impliceert dat het College (ook) wat de periode van 1 oktober 2001 tot 17 januari 2002 betreft uitvoering dient te geven aan het ten aanzien van appellante genomen besluit tot toekenning van bijstand en dient over te gaan tot uitbetaling van de bijstand. Dit is slechts anders indien aan het besluit tot toekenning van bijstand over de periode van 1 oktober 2001 tot 17 januari 2002 door middel van intrekking (achteraf) alsnog de juridische werking wordt ontnomen. De Raad stelt vast dat het College de over genoemde periode aan appellante verleende bijstand niet heeft ingetrokken. Het standpunt van het College dat uit de uitspraak van de Raad van 29 maart 2005 en uit de aangevallen uitspraak voortvloeit dat intrekking van de bijstand over die periode niet mogelijk is, berust naar het oordeel van de Raad op een verkeerde lezing van die uitspraken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 27 juni 2006 gegrond moet worden verklaard en dat dat besluit dient te worden vernietigd. De Raad zal het College opdragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 mei 2005 met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Met het oog daarop overweegt de Raad dat, indien appellante gedurende de periode van 1 oktober 2001 tot 17 januari 2002 heeft beschikt over een vermogen boven de grens van het op haar van toepassing zijnde vrij te laten vermogen en derhalve op die grond geen recht op bijstand heeft, het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB bevoegd is de aan appellante in dat geval ten onrechte verleende bijstand over die periode in te trekken.

Het beroep tegen het besluit van 19 april 2006

Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB bepaalt dat het college van de gemeente die bijstand heeft verleend de kosten van bijstand kan terugvorderen voorzover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken. Deze bepaling is de terugvorderingsgrond in gevallen waarin bijstand is verleend ter overbrugging van een periode waarin aanspraken op bepaalde middelen aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet kan worden beschikt en de betrokkene nadien wel over die middelen kan beschikken. In aanmerking genomen dat appellante reeds op 25 september 2001 uit de nalatenschap van haar oom een bedrag van f 52.388,81 op haar bankrekening heeft ontvangen doet een dergelijke geval zich ten aanzien van de hier van belang zijnde periode van 1 oktober 2001 tot 17 januari 2002 niet voor. Nog daargelaten dat ten behoeve van appellante over de periode van 1 oktober 2001 tot 17 januari 2002 geen kosten van bijstand zijn gemaakt, was het College dan ook niet op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB bevoegd tot terugvordering van de kosten van bijstand over die periode.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 19 april 2006 gegrond moet worden verklaard en dat dat besluit moet worden vernietigd.

Proceskosten

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten, aangezien de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep voorzover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 27 juni 2006 gegrond;

Vernietigt het besluit van 27 juni 2006;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 mei 2005 met inachtneming van deze uitspraak;

Verklaart het beroep voorzover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 19 april 2006 gegrond;

Vernietigt het besluit van 19 april 2006;

Vernietigt het besluit van 18 september 2006.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.G. Treffers en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

PR/040507