Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6890

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
05/6046 AW, 07/1475 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Bezoek pornosites. Financieel nadeel verrekend met vakantiegeld. Onevenredige sanctie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6046 AW, 07/1475 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 augustus 2005, 004/820 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellanten

Datum uitspraak: 31 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak hebben appellanten op 23 januari 2007 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Betrokkene heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2007. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. G.D. Aiken, juridisch adviseur. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Rengelink, advocaat te Amsterdam.

Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend. Na daartoe van partijen toestemming te hebben gekregen heeft de Raad bepaald dat het verdere onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.

1.1. Betrokkene was werkzaam bij de provincie Zuid-Holland als brugwachter bij district West van de afdeling Beheer en Onderhoud.

1.2. Naar aanleiding van een melding van KPN hebben appellanten een onderzoek ingesteld naar de hoge telefoonkosten die op een tweetal bedieningsposten waren gemaakt. Uit dit onderzoek is gebleken dat deze kosten in belangrijke mate zijn veroorzaakt door het bezoek dat betrokkene begin 2003 bracht aan pornografische websites via de personal computers (pc’s) op deze posten.

1.3. Bij besluit van 24 juni 2003 is betrokkene vervolgens wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Tevens is hem meegedeeld dat het door de provincie geleden financiële nadeel - tot dan toe vastgesteld op € 1.304,78 - wordt verrekend met het vakantiegeld en de eindejaarsuitkering die betrokkene nog tegoed heeft en dat een eventueel restant na ontvangst van een factuur moet worden voldaan.

1.4. Het tegen het strafontslag gemaakt bezwaar is bij het bestreden besluit van 14 januari 2004 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellanten opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het hem verweten plichtsverzuim en dat in het algemeen bij het bezoeken van pornosites op de werkplek de straf van ontslag evenredig is. Onder omstandigheden - bijvoorbeeld indien het bezoeken van pornosites wordt getolereerd - kan er echter sprake zijn van onevenredigheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft betrokkene aannemelijk gemaakt dat het voor anderen, waaronder zijn leidinggevende, duidelijk moet zijn geweest dat door betrokkene en mogelijk ook door anderen pornosites werden bezocht. Hieruit heeft de rechtbank geconcludeerd dat het zonder nader onderzoek niet mogelijk is om te beoordelen of de opgelegde straf evenredig is aan het verweten gedrag.

3.1. In hoger beroep hebben appellanten gemotiveerd bestreden dat bij de provincie of bij de dienst Beheer en Infrastructuur een cultuur bestaat waarbij de leiding het bezoek van pornosites tolereert. De rechtbank heeft volgens appellanten voorts ten onrechte geconcludeerd dat niet is onderzocht of ook anderen zich aan gedrag als dat van betrokkene hebben schuldig gemaakt.

3.2. Betrokkene heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd en nogmaals gewezen op zijn persoonlijke omstandigheden, die strafontslag volgens hem tot een onevenredig zware sanctie maken.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde hier van belang de leiding het bezoek van pornosites tolereerde. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat bij brief van 26 september 2002 aangescherpte integriteitsregels ten aanzien van het privé internetten aan de werknemers van het district zijn kenbaar gemaakt; in oktober 2002 gevolgd door de bekendmaking van de provinciale Nota integriteitsbeleid, waarin een expliciet verbod is opgenomen om pornografische internet sites te bezoeken en pornografisch materiaal op de computer op te slaan. Uit deze stukken en uit de ruime aandacht die ook in de dienst Beheer en Infrastructuur aan het thema integriteit is geschonken, moet betrokkene hebben kunnen afleiden dat gedrag als door hem gepleegd niet wordt getolereerd en dat daar door het bevoegd gezag ernstige gevolgen aan kunnen worden verbonden. Dat betrokkene naar zijn zeggen van een en ander geen kennis heeft genomen - wat de Raad onaannemelijk voorkomt - is een omstandigheid die voor zijn risico behoort te blijven.

4.2. Anders dan de rechtbank acht de Raad niet aannemelijk gemaakt dat leidinggevende M afwist van het bezoek van pornosites door betrokkene of collega’s van betrokkene. De rechtbank heeft gemeend haar conclusie daaromtrent af te kunnen leiden uit het feit dat een snelkoppeling met de naam “tienerseks” op het bureaublad stond van een pc die behalve door betrokkene gebruikt zou zijn door M en anderen. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is evenwel gebleken dat, naar een voor appellanten bekend gegeven was, de leidinggevende M zijn werkzaamheden niet op de bruggen verrichtte en deze slechts bij uitzondering bezocht. Bovendien is het bureaublad bij het inloggen niet zichtbaar. Deze leidinggevende was dan ook niet op de hoogte van het bezoek dat betrokkene met de dienst-pc aan (betaalde) pornosites bracht.

4.3. Evenmin acht de Raad aannemelijk gemaakt dat de door betrokkene overgelegde “humoristische” pornografische afbeeldingen, met als opschrift de naam van M, door toedoen of althans met medeweten van die leidinggevende op de pc is gezet. Het betreft hier kennelijk ook afbeeldingen zoals die door een voormalige medewerker vóór het in de herfst van 2002 aangescherpte beleid wel naar de dienst werden toegezonden maar waarmee deze nadien desgevraagd is gestopt.

4.4. De Raad stelt voorts vast dat uit het door appellanten ingestelde onderzoek blijkt dat het wangedrag van betrokkene, in verhouding tot dat van de enkele collega (een uitzend-kracht) die in de onderzochte periode een (gratis) pornosite bleek te hebben bezocht, alsmede in verhouding tot het mogelijk door een collega voorhanden hebben van pornografisch materiaal als bedoeld in 4.3., van een aanmerkelijk grotere omvang en ernst was. Betrokkene heeft als enige betaalsites bezocht, op vele tijdstippen en met een lange duur. Daarmee heeft betrokkene niet alleen vergaand in strijd gehandeld met de regels voor integer gebruik van internet, maar bovendien de provincie Zuid-Holland voor een aanzienlijk bedrag benadeeld. Appellanten hebben niet ten onrechte geconcludeerd dat de zwaarste disciplinaire straf niet onevenredig is aan de ernst van dit plichtsverzuim. Een nader onderzoek naar de omstandigheden van dit geval was daartoe - anders de rechtbank heeft overwogen - niet nodig.

4.5. Ook het vijfjarig dienstverband en het kostwinnerschap van betrokkene vormen voor de Raad onvoldoende grond om het strafontslag onevenredig te achten.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het door betrokkene bij de rechtbank ingestelde beroep moet ongegrond worden verklaard. Nu daardoor de grondslag ontvallen is aan het in rubriek I genoemde besluit van 23 januari 2007 zal de Raad ook dat besluit vernietigen.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Vernietigt het besluit van 23 januari 2007.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J. Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.