Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6885

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
06/2953 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Nieuw besluit. Gemeentelijk beleid herziening bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2953 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 april 2006, 05/2164 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.M.M. Heijkant, advocaat te Dongen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2007. Voor appellant is niemand verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente Dongen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving sedert 7 april 1995 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 6 juli 2004 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 1 juni 1998 tot en met 31 oktober 2003 met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB herzien wegens door haar niet eerder opgegeven en van haar moeder ontvangen, als inkomsten aan te merken, betalingen. Daarbij is tevens met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB een bedrag van € 18.544,92 wegens gemaakte kosten van bijstand van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 28 september 2004 heeft het College het tegen het besluit van 6 juli 2004 gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover dat betrekking had op een in februari 2003 ontvangen verzekeringsuitkering, is het terug te vorderen bedrag nader bepaald op € 17.830,13 en is aan de herziening en terugvordering alsnog artikel 69, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) respectievelijk artikel 81, eerste lid, van de Abw ten grondslag gelegd.

Bij haar uitspraak van 10 mei 2005 heeft de rechtbank - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 28 september 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat de herziening en terugvordering op een onjuiste bevoegdheidsgrondslag berusten, dat de regelmatig door appellante van haar moeder ontvangen bedragen als in aanmerking te nemen middelen moeten worden beschouwd (en dus in mindering strekken op de bijstand), dat het College ingevolge de artikelen 54, derde lid, en 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is tot herziening en terugvordering, en dat de stelling van appellante dat de over 2000 en 2001 ontvangen bedragen abusievelijk in euro’s zijn vermeld in plaats van in guldens ongemotiveerd ter zijde is geschoven.

Appellante heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

Het College heeft voorts ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op 31 mei 2005 een nieuw besluit op bezwaar genomen, het bezwaar wat betreft de gestelde vergissing (eurobedragen over 2000 en 2001 in plaats van guldens) gegrond verklaard, de terugvordering nader bepaald op € 15.031,11 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 31 mei 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat appellante enkel als beroepsgrond heeft aangevoerd dat de van haar moeder ontvangen bedragen ten onrechte als inkomen in aanmerking zijn genomen, dat deze grief echter reeds uitdrukkelijk en zonder voorbehoud bij haar uitspraak van 10 mei 2005 is verworpen en dat daartegen destijds geen hoger beroep is ingesteld zodat thans van de juistheid van dat oordeel moet worden uitgegaan.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe is in hoofdzaak aangevoerd dat haar grief door de rechtbank in haar uitspraak van 10 mei 2005 niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is verworpen. Appellante verkeerde in de veronderstelling dat de betreffende grief in beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar opnieuw voor een inhoudelijke beoordeling aan de rechtbank kon worden voorgelegd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad heeft reeds vaker overwogen dat bij een integrale vernietiging van een besluit door de rechtbank de uitspraak kracht van gewijsde verkrijgt ten aanzien van uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgronden als geen hoger beroep wordt ingesteld (zie onder meer de uitspraken van 12 november 2003, LJN AN9374 en van 23 februari 2007, LJN AZ9218). De Raad moet dan bij de beoordeling van het nieuwe besluit zonder meer uitgaan van de juistheid van het door de rechtbank gegeven oordeel over deze beroepsgronden. Hetzelfde geldt voor de rechtbank indien (wederom) beroep wordt ingesteld tegen een ter uitvoering van een eerdere uitspraak van de rechtbank genomen besluit op bezwaar.

De Raad stelt vast dat de rechtbank in de uitspraak van 10 mei 2005 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel heeft gegeven over de (juridische kwalificatie van de) door appellante ontvangen betalingen van haar moeder over de in geding zijnde periode en over de bevoegdheid tot herziening en terugvordering. De voorlopigheid van het oordeel van de rechtbank hield enkel verband met het toen nog te herstellen motiveringsgebrek in verband met de gestelde vergissing omtrent de omvang van de ontvangen betalingen in 2000 en 2001 (euro’s in plaats van guldens).

Gelet op het voorgaande neemt ook de Raad tot uitgangspunt dat het College bevoegd was over te gaan tot herziening van de bijstand en tot terugvordering. Van de wijze waarop nader is besloten om gebruik te maken van de bevoegdheid tot herziening, kan niet worden gezegd dat het College daartoe niet in redelijkheid heeft kunnen komen. Met betrekking tot de terugvordering merkt de Raad voorts op dat het College het beleid voert dat bij schending van de inlichtingenverplichting steeds tot terugvordering wordt overgegaan, tenzij sprake is van kruimelbedragen dan wel dringende redenen. Met dat beleid is het College de redelijke grenzen van beleidsbepaling niet te buiten gegaan. Het besluit tot terugvordering is in overeenstemming met dat beleid genomen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van dit beleid had moeten afwijken.

Het vorenstaande brengt met zich mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet, tot slot, geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en R.H.M. Roelofs en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) S. van Ommen.

PR/040507