Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6879

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
06/2841 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na intrekking bijstandsuitkering, nieuwe aanvraag afgewezen. Terecht aangemerkt als herzieningsverzoek? Gewijzigde omstandigheden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 270
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2841 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 mei 2006, 05/3505 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2007. Voor appellante is verschenen mr. Hest. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving vanaf 1 december 2003 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 10 juni 2005 heeft het College het recht op bijstand van appellante met ingang van 12 mei 2005 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante met [D.] (hierna: [D.]) een gezamenlijk huishouding voert. Het College heeft het tegen dat besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 6 september 2005 ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 6 september 2005 heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.

Op 22 juni 2005 heeft appellante een nieuwe aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Bij besluit van 28 juli 2005 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat niet aannemelijk is gemaakt dat de feiten of omstandigheden sedert het besluit van 9 juni 2005 (lees: 10 juni 2005) zijn gewijzigd. Het College heeft bij besluit van 11 oktober 2005 het besluit van 28 juli 2005 gehandhaafd, waarbij toepassing is gegeven aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Op 11 augustus 2005 heeft appellante wederom een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Bij besluit van 31 augustus 2005 heeft het College met ingang van 9 augustus 2005 aan appellante bijstand toegekend.

Appellante heeft tegen het besluit van 11 oktober 2005 beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 oktober 2005 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De gegrondverklaring van het beroep berust op de overweging dat het College de afwijzing ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De rechtbank heeft de voorhanden gegevens evenwel toereikend geacht om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat door appellante niet is aangetoond dat zich sedert de intrekking van haar bijstand een relevante wijziging in haar omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat thans wel wordt voldaan wordt aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die haar tot dit oordeel hebben geleid. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geeft de Raad aanleiding om nog het volgende op te merken.

Op basis van het zogenoemde rapport ondersteuning van 27 juli 2005 stelt de Raad vast dat appellante in het kader van de beoordeling van haar aanvraag van 22 juni 2005 tot tweemaal toe uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat zich in haar situatie sedert de intrekking van de bijstand geen wijzigingen hebben voorgedaan. Dat een en ander verband zou houden met de omstandigheid dat appellante het bestaan van een gezamenlijke huishouding niet heeft willen erkennen, omdat zij in bezwaar hiertegen was opgekomen, maakt deze situatie niet anders. Het ligt in gevallen als het onderhavige op de weg van appellante om aan te tonen dat de omstandigheden na de intrekking van haar uitkering in relevante mate zijn gewijzigd. Hierin is appellante niet geslaagd. De eerst in bezwaar gedane mededeling van appellante dat [D.] sedert 2 juni 2005 niet meer bij haar inwoont, heeft het College terecht bij zijn beoordeling buiten beschouwing gelaten. De Raad merkt daartoe op dat de gewijzigde omstandigheden gelet op de aard van de zaak reeds op het moment van de aanvraag aan het College moeten zijn meegedeeld. De stelling van appellante dat haar verklaring over het woonadres van [D.] in [plaatsnaam] op het adres [adres 1] als een gewijzigde omstandigheid moet worden aangemerkt, kan de Raad niet volgen. Dit adres was blijkens het rapport van 9 juni 2005 reeds ten tijde van de intrekking van de bijstand bij het College (als postadres) bekend. Het feit dat het College in het kader van de latere aanvraag van 11 augustus 2005 aanleiding heeft gevonden om een huisbezoek af te leggen, hetgeen er toe heeft geleid dat aan appellante bijstand is verleend, geeft de Raad geen aanleiding om het besluit van 11 oktober 2005 voor onjuist te houden.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak - voorzover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.C. Palmboom.