Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6878

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
06/1417 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Woonadres. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1417 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2006, 04/4323 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Pol, advocaat te Emmen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2007. Voor appellante is verschenen mr. J.G. Keizer, kantoorgenoot van mr. Pol. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft zich op 19 januari 2004 bij het centrum voor Werk en Inkomen (CWI) gemeld om een bijstandsuitkering aan te vragen met ingang van 1 oktober 2003. Zij heeft daarbij opgegeven als haar woonadres [adres 1] te [woonplaats]. Blijkens een door appellante bij de aanvraag overgelegd huurcontract betreft dit een kamer met douche en toilet op de eerste verdieping van het pand op dat adres. In het kader van de beoordeling van de aanvraag is onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellante. Daartoe hebben twee medewerkers van de sociale dienst van de gemeente Amsterdam op

3 maart 2004 een huisbezoek afgelegd op het adres [adres 1]. De bevindingen van dat huisbezoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 7 april 2004 de aanvraag van appellante af te wijzen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [v. B.] (hierna: [v. B.]).

Bij besluit van 2 september 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 april 2004 ongegrond verklaard met dien verstande dat het College aan de afwijzing van de aanvraag alsnog ten grondslag heeft gelegd dat appellante onjuiste danwel onvolledige informatie heeft verstrekt omtrent haar woonadres en haar financiële situatie en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of zij recht heeft op bijstand.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

2 september 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat hij reeds eerder heeft overwogen dat de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode bestrijkt vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. In het onderhavige geval ziet de Raad geen aanleiding daarover anders te oordelen. Hij neemt daarbij in aanmerking dat volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van artikel 41, 43 en 44 van de Wet werk en bijstand (WWB) geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de betrokkene zich bij het CWI heeft gemeld om bijstand aan te vragen tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Dergelijke bijzondere omstandigheden doen zich in het geval van appellante niet voor. Niet is komen vast te staan dat appellante zich al eerder bij het CWI heeft gemeld om een aanvraag om bijstand in te dienen. Voorts is de Raad niet gebleken dat appellante vóór 19 januari 2004 buiten staat was zich bij het CWI te melden om een aanvraag om bijstand in te dienen dan wel een gegronde reden voor een latere melding had. De omstandigheid dat appellante de Roemeense nationaliteit heeft, eerst sedert maart 2003 in Nederland verblijft, gebrekkig Nederlands spreekt en geringe kennis heeft van het systeem van sociale zekerheid in Nederland merkt de Raad niet als gegronde redenen aan. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode vanaf 19 januari 2004 tot en met 7 april 2004.

Voorts stelt de Raad vast dat voor de beoordeling van het recht op bijstand de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven vormt. Het is dan ook van belang dat de aanvrager juiste informatie verschaft over zijn woonadres. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en de omstandigheden.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat appellante onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar feitelijke verblijfplaats. Gelet op de bevindingen van het huisbezoek van 3 maart 2004 was er gerede twijfel of appellante ten tijde in geding woonachtig was in de kamer die zij op de eerste verdieping van het pand aan de [adres 1] huurde, zoals zij aan het College had gemeld. De Raad heeft daarbij van belang geacht dat bij het aanbellen bij appellante, wier naambordje correspondeerde met de derde verdieping van het pand, de deur werd geopend door [v. B.] die de medewerkers van de sociale dienst naar de derde verdieping van het pand voerde en hen na enige tijd in contact bracht met appellante die bleek te verblijven op de tweede verdieping. De twijfel of appellante op het door haar bij het College opgegeven adres woonachtig was, wordt bovendien nog versterkt door het feit dat appellante ten tijde hier van belang bij de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven op het adres van [v. B.] aan de [adres 2] te [woonplaats]. De Raad is van oordeel dat het op de weg van appellante lag om deze twijfel weg te nemen. Appellante is daarin - onder meer met het overleggen van een verklaring van [v. B.] van 18 mei 2004 - niet geslaagd. Uit de verklaring van [v. B.] blijkt niet dat appellante woonachtig was op de door haar gehuurde kamer op de eerste verdieping van het pand [adres 1] en blijkt onvoldoende waar zij wel haar hoofdverblijf had. Dat, zoals [v. B.] verklaart, van de zijde van de gemeentelijke basisadministratie aan appellante en hem te kennen is gegeven dat inschrijving op het adres aan de [adres 1] niet mogelijk was omdat dit een bedrijfspand betreft, acht de Raad niet aannemelijk. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat gemachtigde van het College ter zitting van de Raad onweersproken heeft gesteld dat op dat adres eerder natuurlijke personen stonden ingeschreven en het feit dat appellante daar sedert 13 april 2004 wel ingeschreven staat.

Gelet op vorenstaande is de Raad van oordeel dat appellante met betrekking tot haar woonsituatie niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand van appellante niet kan worden vastgesteld. Nu in zoverre reeds een toereikende grondslag voor de afwijzing van de aanvraag om bijstand aanwezig is, kan de vraag of appellante tevens onjuiste danwel onvolledige informatie heeft verstrekt over haar financiële situatie buiten bespreking blijven.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en G. van der Wiel en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.