Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6877

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
06/3017 WWB + 06/3018 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. 'Katvanger'. Overleggen van bewijsstukken: niet aannemelijk is geworden dat betrokkenen over de bewijsstukken redelijkerwijs konden beschikken.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 227
RSV 2007, 295 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
USZ 2007/210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3017 WWB

06/3018 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende te Leiden (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 april 2006, 05/3233 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden (hierna: College).

Datum uitspraak: 29 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. Th.T.M. van Hemert, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2007. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Hemert. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Waasdorp, werkzaam bij de gemeente Leiden.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen vanaf augustus 1991 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

In het kader van onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand heeft de Dienst Sociale Zaken en Arbeidsmarktbeleid van de gemeente Leiden (hierna: de dienst) informatie opgevraagd bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer. Blijkens die gegevens heeft in de periode van maart 1996 tot begin augustus 2004 een groot aantal auto’s, veelal gedurende korte tijd, op naam van appellanten gestaan. Appellant heeft tijdens een gesprek met de dienst op 18 augustus 2004 verklaard ‘katvanger’ te zijn geweest. Tegen contante betaling van een bedrag van ongeveer € 35,-- per auto liet appellant auto’s op zijn naam en die van appellante zetten. Appellant heeft aangegeven niet over bewijzen van inkomsten te beschikken.

Het College heeft bij brief van 1 september 2004, voor zover hier van belang, appellanten verzocht om voor 9 september 2004 van auto’s op naam van appellant en appellante sinds 1 juli 1997 de volgende gegevens te overleggen:

- bewijzen van aankoop van de auto’s

- bewijzen van verkoop van de auto’s

- bewijzen van financiering van aankoop van de auto’s

- bewijzen van inkomsten uit verkoop van de auto’s

- de exportverklaringen van de auto’s

- de vrijwaringsbewijzen van de auto’s.

Vervolgens heeft het College bij besluit van 23 september 2004 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand met ingang van 1 september 2004 opgeschort op de grond dat appellanten hebben verzuimd de gevraagde gegevens te verstrekken. Het College heeft appellanten de gelegenheid gegeven om uiterlijk op 1 oktober 2004 de bij brief van 1 september 2004 gevraagde gegevens in te leveren. Het College heeft voorts meegedeeld dat indien appellanten de gevraagde gegevens niet voor genoemde datum verstrekken de bijstand zal worden ingetrokken. Bij brief van eveneens 23 september 2004 heeft het College appellanten voor een gesprek op 5 oktober 2004 uitgenodigd en verzocht naar dat gesprek de bij brief van 1 september 2004 gevraagde gegevens mee te nemen.

Bij besluit van 13 oktober 2004 heeft het College vervolgens appellanten meegedeeld dat de bijstand met ingang van 1 september 2004 wordt ingetrokken op de grond dat zij geen gevolg hebben gegeven aan de verzoeken om aanvullende informatie die in het belang kan zijn van de voortzetting van de bijstand.

Bij besluit van 12 april 2005 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 13 oktober 2004 gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 13 oktober 2004 herroepen, en de bijstand met ingang van 9 september 2004 ingetrokken op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 april 2005 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent het college het recht op bijstand kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Artikel 54, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het college aan de belanghebbende mededeling doet van de opschorting en hem uitnodigt binnen een door het college te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Ingevolge artikel 54, vierde lid, van de WWB kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort intrekken.

Appellanten hebben tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand ingaande 9 september 2004 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

Bij de beantwoording van de vraag of het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de aan een belanghebbende verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet (meer) van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de belanghebbende niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

Vast staat dat appellanten de na onderzoek door de dienst van hen nog gevorderde bewijsstukken niet alle binnen de daarvoor gestelde termijn hebben ingeleverd.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting leidt de Raad voorts af dat appellanten, afgezien van twee in 1994 gekochte auto’s waarvan wel tijdig bewijzen zijn overgelegd, overigens niet zelf de betreffende auto’s hebben gekocht, verkocht, gefinancierd of geëxporteerd en dat hun activiteiten verder beperkt zijn gebleven tot het tijdelijk door derden op hun naam laten registreren van de overige auto’s tegen contante betaling. Appellanten hebben steeds verklaard dat zij buiten staat waren de gevraagde, nog ontbrekende, schriftelijke bewijsstukken aan te leveren. In het licht van een en ander is voor de Raad niet aannemelijk geworden dat appellanten over deze bewijsstukken redelijkerwijs konden beschikken voor 5 oktober 2004. Dit betekent dat appellanten geen verwijt kan worden gemaakt dat zij het verzuim niet (volledig) hebben hersteld door niet binnen de gestelde termijn alle nog gevorderde bewijsstukken over te leggen. Om deze reden was het College naar het oordeel van de Raad niet bevoegd om met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB tot intrekking over te gaan.

De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 12 april 2005, uitsluitend voor zover daarbij de bijstand is ingetrokken met ingang van 9 september 2004, vernietigen wegens strijd met de wet. Nu het besluit van 12 april 2005, voor zover daarbij het besluit van

13 oktober 2004 is herroepen, in stand wordt gelaten, behoeft niet opnieuw in de zaak te worden voorzien.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van appellanten in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,--, voor verleende rechtsbijstand in beroep en op eveneens € 644,--, voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand en verder op € 10,20 aan reiskosten in beroep en op € 29,-- aan reiskosten in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 12 april 2005, voor zover daarbij de bijstand is ingetrokken

met ingang van 9 september 2004;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van

€ 1.327,20, te betalen door de gemeente Leiden aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Leiden aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M. Pijper.

PR/220507