Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6876

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
07-2238 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Spoedeisend belang niet gelegen in mening betrokkene dat uitspraak geen stand kan houden. Strafontslag. Nabetaling salaris bij vernietiging vormt geen bijzonder verhaalsrisico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2238 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

de Raad van Bestuur Academisch Medisch Centrum-Universiteit van Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2007, 05/3527 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

verzoeker.

Datum uitspraak: 23 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam bij het Academisch Medisch Centrum (hierna: AMC) in de functie van medewerker beveiliging. Betrokkene heeft bij wijze van transactie een werkstraf aangeboden gekregen omdat hij ervan verdacht werd opzettelijk munitie categorie II en III voorhanden te hebben gehad in februari 2004. Naar aanleiding van zijn strafrechtelijke aanhouding heeft betrokkene tijdelijk andere werkzaamheden verricht binnen het AMC. Gezien het feit dat een in opdracht van verzoeker verricht psychologisch onderzoek geen structurele contra-indicaties bevatte voor het uitoefenen van zijn functie, heeft betrokkene zijn werkzaamheden per oktober 2004 hervat.

1.2. Betrokkene is op 7 januari 2005 aangehouden en in verzekerde bewaring gesteld op verdenking van stalking en bedreiging met zware mishandeling. Nadat betrokkene op 10 januari 2005 niet op zijn werk was verschenen en verzoeker de reden hiervan had vernomen, is betrokkene op non-actief gesteld.

1.3. Bij besluit van 27 januari 2005 heeft verzoeker aan betrokkene de disciplinaire straf van voorwaardelijk strafontslag opgelegd. Dit voorwaardelijk ontslag is na gemaakt bezwaar, onder wijziging van de voorwaarden waaronder de disciplinaire straf onmiddellijk ten uitvoer zal worden gelegd, gehandhaafd bij besluit van 14 juni 2005.

1.4. Bij besluit van 31 maart 2005 is het voorwaardelijke strafontslag ten uitvoer gelegd en is aan betrokkene met onmiddellijke ingang strafontslag verleend. De tenuitvoer-legging van het voorwaardelijk ontslag is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het onder 1.3. genoemd besluit van 14 juni 2005.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 juni 2005 vernietigd, verzoeker opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 27 januari 2005 te nemen en zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2005 gegrond te verklaren en dit besluit te herroepen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de voorwaarden waaronder de opgelegde straf niet ten uitvoer zal worden gelegd verder gaan dan artikel 11.2, tweede lid, van de CAO AZ ‘04/’05 toelaat. Dit brengt met zich mee dat de grondslag is komen te ontvallen aan het besluit tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk ontslag. Nu rechtens geen ander besluit mogelijk is dan het herroepen van het primaire besluit, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien. Verzoeker heeft uitsluitend daartegen hoger beroep ingesteld en op dat punt om een voorlopige voorziening gevraagd.

3. Ten betoge van het spoedeisend belang bij schorsing van de werking van de aangevallen uitspraak in zoverre heeft verzoeker aangevoerd dat hij op grond van die uitspraak genoodzaakt is over te gaan tot nabetaling van het salaris vanaf 31 maart 2005. Volgens verzoeker was er geen aanleiding voor de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien, omdat bij een nieuwe beslissing op bezwaar alsnog onvoorwaardelijk strafontslag per 31 maart 2005 kan worden verleend. Indien het hoger beroep van verzoeker slaagt moet verzoeker het nabetaalde salaris maar teruggevorderd zien te krijgen.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet, kan indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. De voorzieningenrechter overweegt, onder verwijzing naar zijn uitspraak van

27 augustus 1998, LJN AA8550, TAR 1998/174, allereerst dat de enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar de mening van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven op zichzelf niet een voldoende grondslag vormt voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als de onderhavige uitdrukkelijk geen schorsende werking willen toekennen en daarmee het risico van eventuele moeilijkheden bij de naleving van de in hoger beroep aangevochten uitspraak bij het betrokken bestuursorgaan gelegd. Er zijn gevallen denkbaar waarin de bij uitvoering van een uitspraak betrokken belangen dermate zwaarwegend zijn, dat aan de hand van een voorlopig oordeel omtrent de mate van waarschijnlijkheid dat die uitspraak in stand zal blijven wordt bezien of voor doorbreking van het door de wetgever gewenste stelsel in het concrete voorliggende geval aanleiding bestaat. Daarvan is in dit geval geen sprake.

4.3. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker weliswaar op grond van de aangevallen uitspraak verplicht is tot nabetaling van het salaris aan betrokkene, maar dat die geldsom kan worden teruggevorderd indien het hoger beroep van verzoeker doel treft en het ontslagbesluit in stand wordt gelaten. Dan komt immers de juridische grondslag aan de nabetaling van het salaris te ontvallen. Door verzoeker zijn geen gegevens naar voren gebracht die duiden op de aanwezigheid van een bijzonder verhaalsrisico bij betrokkene.

4.4. Onder deze omstandigheden kan de voorzieningenrechter niet tot het oordeel komen dat sprake is van een voldoende zwaarwegend spoedeisend belang bij opschorting van de werking van de aangevallen uitspraak.

5. Op grond van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en voor afwijzing in aanmerking komt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van G.M.G. Hink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) G.M.G. Hink.