Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6874

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
05-6423 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijstelling. Nieuwe vergoedingsregeling. Afkoop toezeggingen oude reiskostenregeling. Gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6423 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 september 2005, 04/2326, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Directeur van de Milieudienst Noord-West Utrecht, (hierna: directeur)

Datum uitspraak: 7 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De directeur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2007. Appellant is verschenen. De directeur, ir. A.A.M. Verheul, is verschenen, vergezeld van K.H. Wiersema, werkzaam bij de Milieudienst Noord-West Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is werkzaam bij de Milieudienst Noord-West Utrecht (hierna: milieu-dienst). Bij besluit van 12 juli 1996 is aan appellant, in afwijking van de toen geldende vergoedingsregeling woon-werkverkeer/dienstreizen, toegestaan om reiskosten van het woon-werkverkeer vanaf de regiogrens Maartensdijk te declareren tegen een vergoeding van f 0,68 per kilometer. Per 1 januari 2004 is voor de milieudienst een nieuwe Vergoedingsregeling reiskosten woon- en werkverkeer (hierna: Vergoedingsregeling) in werking getreden. In artikel 7 van deze regeling is bepaald dat toezeggingen op grond van de oude reiskostenregeling worden afgekocht. Ter uitvoering hiervan is besloten dat medewerkers, die nadeel ondervonden van de Vergoedingsregeling, bij wijze van afbouw een éénmalige tegemoetkoming ontvangen ten bedrage van het nadelige verschil tussen de oude en de nieuwe vergoeding over een periode van drie jaar.

1.2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit is de reiskostenvergoeding van appellant op grond van de Vergoedingsregeling per 1 januari 2004 vastgesteld op € 130,- per maand en is de tegemoetkoming van appellant over de afbouwperiode van drie jaar vastgesteld op netto € 1.624,16.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak het Algemeen Bestuur van de milieudienst als verweerder aangemerkt. Met ingang van 1 januari 2004 is de gemeenschappelijke regeling Milieudienst Noord-West Utrecht in werking getreden. Blijkens artikel 31 van deze gemeenschappelijke regeling is de directeur van de milieudienst bevoegd tot het nemen van rechtspositionele besluiten ten aanzien van het personeel. De besluiten omtrent appellants reiskostenvergoeding zijn genomen door de directeur. In de beslissing op bezwaar van 12 juli 2004 is echter abusievelijk vermeld dat het besluit (door de directeur) genomen is namens het Algemeen Bestuur van de milieudienst. Nu appellant door deze misstelling niet in zijn belang is geschaad volstaat de Raad met een verbetering van de partijstelling.

3. Appellant heeft in hoger beroep - samengevat - aangevoerd dat met de nieuwe regeling ten onrechte is getornd aan de destijds met hem gemaakte individuele afspraak. Hij wijst erop dat aan het bij het intrekkingsbesluit Verordening beheerscommissie milieudienst Noord-West Utrecht behorende liquidatieplan is bepaald dat alle bestaande rechten door het nieuwe openbaar lichaam overgenomen worden. Omdat er op 1 januari 2004 geen instemming van het Georganiseerd Overleg (GO) met de nieuwe reiskostenregeling bestond kon deze niet op die datum in werking treden. Voorts heeft appellant gesteld dat er bij de toepassing van de nieuwe reiskostenregeling een ongelijke behandeling van medewerkers heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft hij erop gewezen dat in het geval van medewerkster C. wel een bestaande individuele afspraak is gehandhaafd.

4. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan het volgende.

4.1. De Raad heeft niet voldoende grond gevonden voor het oordeel dat aan de totstand-koming of inhoud van de Vergoedingsregeling zulke ernstige feilen kleven dat deze ten aanzien van appellant buiten toepassing had moeten worden gelaten. Dit geldt in het bijzonder voor de in artikel 7 van de Vergoedingsregeling opgenomen overgangs-bepaling, dat toezeggingen op grond van de oude reiskostenregeling worden afgekocht.

De Raad merkt hierbij naar aanleiding van het betoog van appellant omtrent de inbreng van het GO op, dat het GO reeds vóór 1 januari 2004 ingestemd heeft met de Vergoedingsregeling en derhalve ook met genoemd artikel 7. Weliswaar was er op dat moment nog geen overeenstemming over de periode waarover de afkoop zoals in dat artikel bedoeld zou worden berekend (voorgesteld was 2 jaar en het GO wenste 5 jaar), doch na nader overleg is de afkooptermijn door het bestuur vastgesteld op 3 jaar en het GO heeft hiermee in zijn vergadering van 12 februari 2004 ingestemd.

4.2. De Raad is van oordeel dat de omstandigheid dat in het onder 3. vermelde liquidatieplan is bepaald dat de nieuwe werkgever alle bestaande rechten van het personeel zal overnemen, er niet aan in de weg stond om de oude vergoedingsregeling te vervangen door een nieuwe regeling. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de Vergoedingsregeling ertoe strekt een einde te maken aan de veelheid van regelingen en afspraken met betrekking tot de vergoeding van reiskosten van het woon-werkverkeer, die voor de werknemers van toepassing waren, en aldus ongerechtvaardigde verschillen op te heffen en aan te sluiten op de fiscale wetgeving.

4.3. Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel is de Raad van oordeel dat door de directeur genoegzaam duidelijk is gemaakt dat er ten aanzien van de door appellant genoemde collega voldoende bijzondere redenen waren tot toepassing van de in de Vergoedingsregeling opgenomen hardheidsclausule. Voor appellant geldt dit niet. Van gelijke gevallen is derhalve geen sprake, zodat het beroep van appellant op het gelijk-heidsbeginsel moet worden verworpen.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.