Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6858

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
06/2858 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BF7252
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2858 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 20 april 2006, 06/984 en 06/1943 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Namens het College is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 11 november 2005 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) in gediend.

Bij besluit van 8 maart 2006 heeft het College aan appellant bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande vermeerderd met 10% toeslag. Bij dat besluit is de bijstand tevens weer beƫindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 14 december 2005. Aan deze intrekking is ten grondslag gelegd dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer bij wie hij inwoont.

Bij besluit van 4 april 2006 is het tegen het besluit van 8 maart 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 4 april 2006 ingestelde beroep, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand gelaten en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt onder verwijzing naar zijn uitspraak van 11 april 2007, LJN BA 2410, voorop dat het samenstel van de artikelen 17 en 53a van de WWB een toereikende grondslag biedt voor het huisbezoek als middel ter uitoefening van de bevoegdheid tot controle en verificatie van door belanghebbende of anderszins bekend geworden gegevens. De Raad stelt voorts vast dat in onderhavige zaak een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek bestond nu de beschikbare gegevens gerechtvaardigd twijfel opriepen over de juistheid van de door appellant aangegeven woon- en leefsituatie. De grief dat zonder aanleiding en rechtsgrond tot het afleggen van een huisbezoek is overgegaan slaagt derhalve niet.

Ten aanzien van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Op grond van de onderzoeksbevindingen van twee handhavingsmedewerkers van de Dienst werk en inkomen van de gemeente Amsterdam, waaronder met name het verslag van het huisbezoek op 25 januari 2006, kan als vaststaand worden aangenomen dat appellant ten tijde in geding tezamen met zijn broer [naam broer] zijn hoofdverblijf had op het adres [adres]. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat uit de door appellant tijdens genoemd huisbezoek gedane uitlatingen kan worden afgeleid dat ten tijde in geding (tevens) sprake was van wederzijdse verzorging. De Raad voegt hieraan nog toe dat het criterium wederzijdse zorg niet vereist dat over en weer in gelijke mate zorg of verzorging wordt verleend. De Raad tekent daarbij voorts nog aan dat de geschetste omvang en indeling van de woonruimte de vraag oproept of onder die omstandigheden naar objectieve maatstaven gemeten feitelijk nog wel sprake kan zijn van inwoning met enkel deling van woonlasten, laat staan van inwoning op commerciƫle basis. Het College heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat appellant ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerde met zijn broer. Appellant kon derhalve niet langer als zelfstandig subject van bijstand worden aangemerkt, zodat hij geen recht meer had op bijstand naar de norm van een alleenstaande. Het College is dan ook terecht tot intrekking van de bijstand overgegaan.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) D. Olthof.

PR/250407