Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6855

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
06/2197 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbreken van procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2197 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2006, 04/6205 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Caddeo, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2007. Voor appellante

is verschenen mr. Caddeo. Voor het College is verschenen drs. H. van Golberdinge, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Aan appellante is bijstand toegekend. Appellante was destijds ontheven van de verplichtingen gericht op het vinden van betaald werk. Bij besluit van 14 september 2004 heeft het College deze situatie herzien, in die zin dat op appellante de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) onverkort van toepassing zijn. Na gemaakt bezwaar heeft het College bij besluit van 25 november 2004 de arbeidsverplichtingen van appellante aangepast, in die zin dat appellante over de periode van 7 september 2004 tot 7 september 2005 gedurende vier dagdelen per week beschikbaar moet zijn voor ondersteuning gericht op arbeidsinschakeling.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 25 november 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

De Raad ziet zich bij zijn beoordeling, ambtshalve, gesteld voor de vraag of appellante nog procesbelang heeft bij een beoordeling door de Raad van de juistheid van de aangevallen uitspraak. In dit verband is het volgende van belang.

Blijkens de stukken die het College bij brief van 14 december 2006 de Raad heeft doen toekomen, heeft het College bij besluit van 8 november 2006 appellante op basis van artikel 9, tweede lid, van de WWB tot 7 november 2007 ontheven van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Ter zitting is gebleken dat appellante niet is gesanctioneerd wegens het niet nakomen van de aan haar bij het besluit van 25 november 2004 opgelegde arbeidsverplichting, en dat door het College een sanctie ter zake van de afgesloten periode van 7 september 2004 tot 7 september 2005 niet wordt overwogen. Nu appellante ook niet om veroordeling tot schadevergoeding heeft verzocht, brengt het voorgaande mee dat er geen sprake - meer - is van procesbelang.

Gelet hierop dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De Raad overweegt tot slot dat hij geen aanleiding ziet voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en G. van der Wiel en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) S. van Ommen.