Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6853

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
06-2239
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing en intrekking bijstandsuitkering in verband met niet volledig verstrekken van gevraagde gegevens.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2239 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2006, 06/364 en 06/365 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2007. Voor appellante is verschenen mr. Kramer. Het College heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt vanaf 29 maart 1999 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand heeft het College aan appellante nadere inlichtingen gevraagd, in welk kader

op 1 september 2005 in de woning van appellante een huisbezoek is afgelegd. Bij

die gelegenheid is appellante verzocht om informatie over de vader van haar kind. Appellante is vervolgens op 19 september 2005 uitgenodigd om op 22 september 2005

te verschijnen op het kantoor van de Sociale Dienst van de gemeente Amsterdam. Daar heeft zij vragen beantwoord over P. [naam vader kind] en is haar gevraagd op 27 september 2005 weer te verschijnen, maar dan met P. [[naam vader kind]. Appellante is op die dag op het kantoor van de Sociale Dienst verschenen evenwel zonder P. [[naam vader kind].

Vervolgens heeft het College bij besluit van 29 september 2005 met toepassing

van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand met ingang van

22 september 2005 opgeschort. Het College heeft hierbij aangegeven tot dit besluit te zijn gekomen omdat appellante op 27 september 2005 niet alle gevraagde informatie inzake

P. [[naam vader kind] had verstrekt. Het College heeft appellante de gelegenheid gegeven om uiterlijk op 4 oktober 2005 bewijsstukken in te dienen van het adres met huisnummer van

P. [[naam vader kind] evenals van diens telefoonnummer en geboortedatum. Het College heeft bij dit besluit ten slotte vermeld dat indien appellante onvoldoende aan het verzoek om informatie tegemoet komt, de bijstand zal worden ingetrokken.

Bij een op 4 oktober 2005 bij het College ingekomen brief heeft appellante meegedeeld dat zij wel over het telefoonnummer van P. [[naam vader kind] beschikt, maar dat de overige gevraagde gegevens haar niet bekend zijn.

Tegen het besluit van 29 september 2005 heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 oktober 2005 heeft het College appellante meegedeeld dat de bijstand met ingang van 22 september 2005 wordt ingetrokken op de grond dat zij niet tijdig de gevraagde informatie over P. [[naam vader kind] heeft verstrekt.

Bij besluit van 5 januari 2006 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 oktober 2005 ongegrond verklaard. Het College heeft daartoe overwogen dat nu tegen het besluit tot opschorting van 29 september 2005 geen bezwaar is gemaakt dit besluit formele rechtskracht heeft verkregen, hetgeen de weg opent voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB. Voorts is overwogen dat de gevraagde gegevens niet (of niet geheel) zijn geleverd en dat er van redenen om van intrekking af te zien niet is gebleken.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 januari 2006 gegrond verklaard, dat besluit, met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten, vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Overwogen is het

volgende (waarbij appellante is aangeduid als verzoekster en het College als verweerder) :

"De rechter stelt vast dat verzoekster geen bezwaar heeft gemaakt tegen het opschortingsbesluit van 29 september 2005. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 9 augustus 2005, JWWB 2005, 425) blijkt dat indien geen bezwaar is gemaakt tegen het opschortings-besluit, uitsluitend ter beoordeling staat of betrokkene heeft verzuimd te voldoen aan de bij het opschortingsbesluit neergelegde verplichting. De rechter zal gelet op voornoemde uitspraak de gronden van verzoekster die betrekking hebben op de vraag of de door verweerder verzochte gegevens noodzakelijk zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand buiten beschouwing te laten.

Nu vaststaat dat verzoekster in verzuim was dient de vraag te worden beantwoord of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster het verzuim niet heeft hersteld, nu zij de verzochte gegevens niet heeft overgelegd terwijl ze wel de beschikking kon krijgen over de gegevens.

Naar het oordeel van de rechter dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Vaststaat dat verzoekster de door verweerder bij het opschortingsbesluit verzochte gegevens niet volledig heeft verstrekt. Verzoekster heeft immers bij brief van 4 oktober 2005 slechts het telefoonnummer van [[naam vader kind] verstrekt en niet zijn adres en huisnummer en zij heeft aangegeven dat zij geen verdere gegevens kon verstrekken. Onder de gedingstukken bevindt zich een verklaring van verzoekster waaruit blijkt dat verzoekster wel wist waar [[naam vader kind] woonde, maar dat zij de straatnaam niet wist. Naar het oordeel van de rechter had verzoekster, teneinde de verzochte gegevens te kunnen verstrekken, het adres eenvoudig kunnen opzoeken. Nu zij dit niet heeft gedaan, heeft verzoekster naar het oordeel van de rechter het verzuim niet hersteld. Dat [[naam vader kind] - zoals verzoekster ter zitting heeft gesteld - reeds was vertrokken maakt deze conclusie niet anders.

Gelet op vorengaande was verweerder derhalve bevoegd op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB over te gaan tot intrekking van de uitkering. In dit verband dient te worden beoordeeld of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat in onderhavig geval een belangen-afweging heeft plaatsgevonden hetgeen blijkt uit het bestreden besluit en met name de zinsnede in het bestreden besluit dat niet is gebleken van redenen om af te zien van intrekking van de uitkering. Naar het oordeel van de rechter blijkt uit voornoemde zinsnede echter onvoldoende van een op onderhavig geval toegespitste individuele belangenafweging.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd met het bepaalde in de artikelen 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op dit punt een draagkrachtige motivering ontbeert en om die reden niet in stand kan blijven. De rechter is dan ook van oordeel dat om die reden het beroep gegrond dient te worden verklaard. Op grond van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ziet de rechter niettemin aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat het belang van het adequaat kunnen beoordelen van het recht op bijstand jegens verzoekster en het voorkomen van onrechtmatige uitbetaling van bijstand in onderhavig geval zwaarder weegt dan het belang van verzoekster. De rechter acht deze belangenafweging alsmede de uitkomst daarvan niet onredelijk."

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover hierbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent het college het recht op bijstand kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Artikel 54, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het college aan de belanghebbende mededeling doet van de opschorting en hem uitnodigt binnen een door het college te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Ingevolge artikel 54, vierde lid, van de WWB kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort intrekken.

Appellante heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand ingaande 22 september 2005 op grond van artikel 5, vierde lid, van de WWB in recht stand kan houden.

Bij de beantwoording van de vraag of het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de aan een belanghebbende verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet (meer) van belang zijn voor de verlenging van bijstand of om gegevens waarover de belanghebbende niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

De door het College bij besluit van 27 september 2005 aan appellante verzochte inlichtingen kunnen naar het oordeel van de Raad in dit geval niet worden beschouwd als gegevens die van belang zijn voor de verlening van de bijstand. Niet betwist is dat appellante ten tijde hier in geding een alleenstaande ouder is en dat van inwoning van

P. [[naam vader kind] bij appellante geen sprake is. De door het College van appellante gevraagde informatie over P. [[naam vader kind] van wie wordt gesteld dat deze de vader is van het kind van appellante kan, indien deze stelling juist zou zijn, in dit geval dan ook hooguit van belang zijn voor een eventueel verhaal van verleende bijstand zoals bedoeld in hoofdstuk VII van de Algemene bijstandswet respectievelijk artikel 61 van de WWB. Het ontbreken van deze gegevens staat verlening van de bijstand aan appellante derhalve niet in de weg.

Dit betekent dat appellante geen verwijt kan worden gemaakt dat zij het verzuim niet (volledig) heeft hersteld door niet binnen de gestelde termijn alle gevraagde gegevens te verstrekken. Om deze reden was het College naar het oordeel van de Raad niet bevoegd om met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB tot intrekking over te gaan.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft ten onrechte anders geoordeeld. De uitspraak van de Raad waarop die rechter voor zijn oordeel een beroep deed, heeft betrekking op een geval waarin de dragende feiten anders zijn dan die in dit geval. Nu de voorzieningenrechter van de rechtbank het besluit van 5 januari 2006 op geheel andere gronden heeft vernietigd, ziet de Raad aanleiding - voor alle duidelijkheid - om de aangevallen uitspraak te vernietigen voor zover daarbij het beroep gegrond is verklaard, het besluit van 5 januari 2006 is vernietigd en is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De Raad zal vervolgens het beroep gegrond verklaren en het besluit van 5 januari 2006 vernietigen wegens strijd met de wet. De Raad ziet tevens aanleiding het (primaire) besluit van 21 oktober 2005 te herroepen omdat dit besluit op dezelfde onhoudbare grond berust.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van appellante in bezwaar en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,--, voor verleende rechtsbijstand in bezwaar en op eveneens € 644,--, voor in hoger beroep verleende rechtshulp.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover hierbij het beroep gegrond is verklaard, het besluit van 5 januari 2006 is vernietigd en is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 5 januari 2006

Herroept het besluit van 21 oktober 2005;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.G. Treffers en

J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.